Citizen science

Een paar weken geleden ontvouwde de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest haar plannen rond ‘CurieuzenAir’. In het kader van dat grootschalige burgeronderzoek naar lokale luchtkwaliteit zullen maar liefst 3.000 Brusselaars de komende maanden een CurieuzenAir-testbuisje aan hun venster ophangen. 

Citizen science – waarbij burgers als actieve vrijwilligers aan wetenschappelijk onderzoek deelnemen – heeft de voorbije jaren sterk aan populariteit gewonnen. In die mate zelfs dat er in Vlaanderen op dit moment meer dan 70 citizen science-projecten lopen. De voordelen ervan zijn legio. Zo laat de citizen science-methodiek overheden bijvoorbeeld toe om extra data te verzamelen waarop ze hun beleid kunnen afstemmen, terwijl ze de band met hun inwoners verder aanhalen. Voor de vrijwilligers zelf staat het leeraspect voorop. En de betrokken universiteiten en kennisinstellingen kunnen dan weer aan de slag met een schat aan nieuwe data.

Maar wat maakt van een citizen science-project nu precies een succesverhaal? Hoe begin je eraan? En waar schuilen de valkuilen? Ik sprak erover met Carina Veeckman, één van de drijvende krachten achter het pas gelanceerde draaiboek ‘Citizen science voor lokale besturen’ en als burgerwetenschap-experte verbonden aan SMIT (een imec-onderzoeksgroep aan de VUB). Daarnaast lichten Tim Guily (stad Leuven) en Gino Dehullu (stad Roeselare) concreet toe hoe citizen science in hun steden vandaag al het verschil maakt.

 

Voortbordurend op een rijke (Europese) traditie

“Citizen science-initiatieven doen een beroep op burgers voor het ondersteunen van onderzoeksprojecten, meestal in samenwerking met – of onder begeleiding van – professionele wetenschappers. Dat die burgerwetenschappers daarbij een actieve rol opnemen, is een absolute vereiste. Zo kunnen ze fungeren als waarnemer of als sponsor, of betrokken worden bij het identificeren van beelden, het analyseren van data of het zelf aanleveren van gegevens. Citizen science omvat dus veel meer dan zomaar het invullen van een vragenlijst”, zegt Carina Veeckman.

Burgerwetenschap is allesbehalve een recent fenomeen, maar borduurt voort op een rijke (Europese) traditie. Een sprekend voorbeeld is de Duitse Caroline Herschel (1750 – 1848) die, zonder enige wetenschappelijke opleiding, haar broer hielp bij het zoeken naar hemellichamen en daarbij ook zelf voor tal van doorbraken zorgde. 

En Europa doet het nog steeds erg goed op het vlak van citizen science. De Europese Unie is dan ook een grote voorstander van ‘wetenschap voor het volk, door het volk’. Als grote voordelen ziet de EU onder meer een hogere betrokkenheid van haar burgers bij wetenschap en onderzoek, en bij de Europese beleidsvorming.

Het hoeft dus niet te verbazen dat Europa een actief citizen science-beleid voert en het heeft ondergebracht in haar ‘open science’-programma dat van het betrekken van burgers een belangrijke voorwaarde maakt voor het toekennen van projectsubsidies. Dat een dergelijk beleid wel degelijk zijn vruchten afwerpt, zien we trouwens in landen zoals Nederland, Oostenrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk waar nu al een sterke burgerwetenschapbeweging aanwezig is.

Iedereen burgerwetenschapper, iedereen wint!

Carina Veeckman: “Citizen science is echter allesbehalve het monopolie van Europa. Lokale besturen kunnen evengoed hun voordeel doen met het actief betrekken van hun inwoners bij plaatselijke onderzoeksvragen.”

Projecten zoals ‘’, ‘Soja in 1.000 tuinen’ en het Brusselse ‘CurieuzenAir’ zijn daarvan mooie voorbeelden. En hetzelfde geldt voor het ‘Hackable City of Things’-initiatief dat burgers uitnodigt om door middel van wetenschap en technologie de stad te ‘hacken’, bottom-up te verbeteren, en zo de slimme – en meer leefbare – stad van morgen vorm te geven.

Voor lokale overheden zijn deze projecten een prima gelegenheid om de band met hun inwoners aan te halen, terwijl ze data verzamelen waarop ze hun beleid kunnen afstemmen. Voor de burgerwetenschappers zelf staan het educatieve aspect en het sociaal-maatschappelijke engagement voorop. En de betrokken universiteiten en kennisinstellingen kunnen aan de slag met een schat aan nieuwe data – op een schaal die de onderzoekers alleen onmogelijk zouden kunnen evenaren. Met andere woorden: iedereen wint!

“Toch is het zo dat citizen science-projecten nog steeds voornamelijk geïnitieerd worden door kennisinstellingen enerzijds en burgers anderzijds. Die laatsten doen dat vaak op basis van hun interesses, hobby’s en de lokale noden die ze zien. Maar onze hoop en verwachting is dat stads- en gemeentebesturen hierin de volgende jaren steeds meer het voortouw zullen nemen”, aldus Veeckman.

Van fijnstofmetingen in Leuven tot het anticiperen op wateroverlast in Roeselare

Dat Vlaamse steden en gemeenten er inderdaad voor open staan om met citizen science aan de slag te gaan, bewijzen initiatieven in bijvoorbeeld Leuven en Roeselare.

“In Leuven maken de initiatieven rond burgerwetenschap deel uit van onze smart city-strategie,” zegt Tim Guily van de stad Leuven. “Zo hebben we de voorbije jaren onze inwoners actief betrokken bij onderzoek naar fijnstofmetingen, de stad als hitte-eiland en lokale verkeersstromen.”

“Enerzijds vormen de data en inzichten die uit die projecten voortvloeien een waardevolle bron van informatie waarmee je rekening kan houden bij het opstellen van stedelijke beleidsplannen, bijvoorbeeld op het vlak van mobiliteit. Maar – misschien belangrijker nog – is de intense interactie tijdens zo’n traject met groepen geëngageerde burgers; dat soort verregaande interactie kan je eigenlijk amper op een andere manier stimuleren.”

Toch raadt Guily andere steden en gemeenten aan om zich niet zomaar in een avontuur te storten. Een goede, doordachte voorbereiding is absoluut noodzakelijk. Er schuilen immers een aantal addertjes onder het gras.

Guily: “We hebben ondervonden dat je je als stad of gemeente absoluut moet laten omringen door een sterk ecosysteem van partners – zowel technische partners voor de uitrol van het project, als bijvoorbeeld specialisten in datavisualisatie en -interpretatie. Ook over het aanleveren van de data zelf moet trouwens grondig worden nagedacht. Van welke standaarden maak je gebruik? Aan welke kwaliteitseisen moeten die data voldoen? En wie beheert alle verzamelde data?”

Maar dat lokale besturen hoge verwachtingen hebben van hun citizen science-projecten mag blijken uit het Smartwaterland-initiatief in Roeselare; een project dat erop gericht is een lagekostnetwerk van digitale pluviometers uit te rollen, zodat er sneller kan worden gereageerd – én geanticipeerd – op mogelijke wateroverlast in de regio.

“Vandaag maken we gebruik van een beperkt aantal dure meetstations om de waterstanden in onze streek in kaart te brengen. Hoewel die stations erg nauwkeurige data opleveren, laten zij ons echter niet toe om heel fijnmazig te meten”, zegt Gino Dehullu van de stad Roeselare. “Daarom willen we het bestaande systeem aanvullen met een uitgebreid netwerk van digitale lagekostsensoren die de neerslag bij onze inwoners thuis registreren. Zo kunnen we de kans op wateroverlast gaan inschatten op basis van een veelheid aan meetpunten, met de verwachting dat we op die manier tot twee uur sneller zullen kunnen anticiperen op mogelijke waternood dan vandaag.”

“Ook voor onze scholen is dit citizen science-project trouwens een dankbaar gegeven: door middel van klasexperimenten en lespakketten laten we leerlingen zien dat wetenschap letterlijk in elke tuin zijn plaatsje heeft”, klinkt het. 

De volgende stap: het ontsluiten van data en conclusies vertalen in concrete beleidsdoelen

“Deze – en andere – voorbeelden tonen aan dat Vlaanderen het vandaag eigenlijk best wel goed doet op het vlak van citizen science”, pikt Carina Veeckman daarop in. “Op dit ogenblik lopen er in Vlaanderen een 70-tal projecten. En ook structureel zit het goed – onder meer dankzij de actieve ondersteuning van minister Bart Somers en het Vlaamse Departement Economie, Wetenschap & Innovatie (EWI). Ook de oprichting in 2019 van Scivil – het Vlaamse kenniscentrum voor citizen science – heeft een positieve invloed gehad op het aantal initiatieven en de kwaliteit ervan.”

“Toch zijn er nog een aantal aandachtspunten”, zegt ze. “Wat de ontsluiting en de uitwisseling van data betreft, bijvoorbeeld, kunnen we zeker nog een aantal stappen zetten. Door de data van elk individueel project te combineren, bijvoorbeeld, zouden we op termijn een nog grotere meerwaarde kunnen creëren. Zo kan je verbanden gaan leggen tussen lokale mobiliteit, luchtkwaliteit en de incidentie van bepaalde ziektesymptomen – om maar iets te zeggen. Maar daarvoor hebben we dan weer de juiste open data-protocollen, -infrastructuur en -portalen nodig. En die moeten op hun beurt aan strikte privacy-voorwaarden voldoen.”

“Daarnaast zouden de onderzoeksresultaten en -conclusies nog beter vertaald moeten worden in concrete beleidsdaden, zodat burgers zien dat de zaken die ze belangrijk vinden effectief geadresseerd worden. Maar alles staat of valt uiteraard met de rol van de (lokale) overheden, en die is – ook voor hen zelf – nog niet altijd duidelijk.”

Een stappenplan voor lokale besturen

Zo moeten steden en gemeenten zeker niet alle aanvragen voor citizen science-projectaanvragen actief ondersteunen.

Carina Veeckman: “Neen, dat hoeft zeker niet. Het is waarschijnlijk niet eens praktisch haalbaar. Maar als je als lokaal bestuur benaderd wordt door burgers die een dergelijk traject willen opstarten, moet je natuurlijk wel over de juiste leidraad beschikken om met hen samen te zitten en te communiceren. Je mag de dialoog immers niet uit de weg gaan.”

“Ook wanneer burgerwetenschappers na afloop van een project naar je toestappen, is het belangrijk dat je naar hun bevindingen luistert, dat je begrijpt hoe de data gecapteerd werden en dat je – op basis van vooraf gedefinieerde vuistregels en voorwaarden – kan bepalen of je al dan niet beleidsmatig op hun conclusies kan inspelen”, zegt ze.

“En tenslotte: zoek naar wat jullie verbindt. Zelfs als je het project in kwestie niet kan ondersteunen, bespreek dan samen welk soort traject wél binnen het lokale beleidsplan past. Bovendien kan je altijd doorverwijzen naar instellingen zoals EWI en Scivil die extra projectondersteuning kunnen bieden”, besluit Veeckman.

Ben je – na het lezen van dit artikel – als lokaal bestuur geïnspireerd om de burgerwetenschappers in je regio te activeren, maar zit je nog met vragen over hoe je zo’n traject precies opzet en ondersteunt? In het ‘Draaiboek Citizen Science voor Lokale Besturen’ dat onlangs gelanceerd werd, vind je talloze tips en tricks terug – alsook een gedetailleerd stappenplan waarmee je concreet aan de slag kan.

Hier staat mogelijk content uit een social media netwerk dat cookies kan gebruiken. U heeft hiervoor nog geen toestemming gegeven. Klik hier om dit toe te laten.

Lees ook