Catastrofes: de scharnierpunten in de geschiedenis?

Eén historicus hoef je alvast niet te overtuigen dat geweld soms nodig is om écht iets te bereiken. Walter Scheidel schreef in zijn populaire boek The Great Leveler dat er maar één manier is om economische ongelijkheid echt te verminderen: een catastrofe. Volgens Scheidel tonen de laatste duizend jaar aan dat gelijkheid nauwelijks te bereiken valt zonder een oorlog, revolutie of een ernstige ramp – zoals een pandemie. In de middeleeuwen was er bijvoorbeeld een enorme kloof tussen arm en rijk in Europa, tot de Zwarte Dood tussen 1346 en 1351 de sociale verhoudingen helemaal door elkaar schudde. Omdat er zoveel mensen gestorven waren, was er een groot tekort aan arbeidskrachten, waardoor arbeiders veel betere arbeidsvoorwaarden konden eisen. In de twintigste eeuw leidde de angst voor het opkomende communisme dan weer tot de uitbouw van de sociale welvaartstaat, die voor zeer verregaande herverdeling zorgde in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog. Historici menen dat zonder die dreiging van het ‘Rode Gevaar’ die herverdelingsmechanismen nooit zover zouden gegaan zijn.

Allemaal te wapen dus, om chaos te creëren en zo (raciale) ongelijkheid aan te pakken? Niet noodzakelijk: Scheidels stelling wordt lang niet door alle historici aanvaard. Ook voornamelijk vredevolle bewegingen – we denken maar aan Gandhi en Mandela – hebben belangrijke maatschappelijke veranderingen teweeggebracht. Maar toch: de geschiedenis toont dat vele belangrijke doorbraken er pas kwamen nadat wetten gebroken werden en/of geweld gebruikt werd. Soms vinden we die wetteloze acties achteraf perfect legitiem, maar vaak ook niet. Laten we enkele protesten van naderbij bekijken, op zoek naar de belangrijkste dynamieken van verzet en de reacties van overheden en de publieke opinie.

Amerika: tweehonderdvijftig jaar Black Lives Matter?

De Belgische acties rond Black Lives Matter van de afgelopen weken komen overgewaaid uit de VS, na de dood van George Floyd tijdens zijn arrestatie. De strijd tegen racisme in de VS kent echter een lange geschiedenis. Nu is er George Floyd, zes jaar geleden stierven ook Eric Garner en Michael Brown door overdreven politiegeweld. In de jaren ’50 en ’60 van de twintigste eeuw waren er Martin Luther King en de Burgerrechtenbeweging en nog eerder de Amerikaanse Burgeroorlog en de slavernij. De zwarte emancipatiestrijd, die zowel via vredevolle als gewelddadige acties verliep, heeft altijd een enorme polarisatie teweeggebracht. Hoewel we ons nu moeilijk kunnen voorstellen dat slavernij en rassensegregatie zolang hebben bestaan, werden markante figuren uit de verschillende protestbewegingen vaak veroordeeld door een belangrijk deel van de publieke opinie. En de overheid? Die toonde zich vaak ofwel ongeïnteresseerd, ofwel repressief.

Een specifieke episode die onaangename parallellen vertoont met de dood van Floyd en de nasleep daarvan, is de arrestatie van Rodney King in het voorjaar van 1992. King werd in Los Angeles gearresteerd voor verschillende snelheidsovertredingen en dronkenschap achter het stuur, maar probeerde weg te vluchten. Vier agenten kregen hem te pakken, maar in plaats van hem in de boeien te slaan, gaven ze hem een stevig pak slaag – hoewel King zich niet verweerde. De agenten werden later zo goed als volledig vrijgesproken door een in meerderheid witte jury. Toen dat bekend raakte, trokken duizenden mensen in Los Angeles de straat op. Al snel gingen die manifestaties over in dagenlange rellen en plunderingen. De slogan ‘no justice, no peace’ die de laatste weken in de VS vaak gebruikt werd, was ook toen populair onder de demonstranten. De autoriteiten deden lang weinig om die plunderingen tegen te gaan – volgens vele ooggetuigen omdat de voornaamste slachtoffers Koreaanse winkelhouders waren, volgens de politie zelf door een gebrek aan mensen en middelen. In de nasleep van het conflict werd het duidelijk hoe verdeeld Amerika nog steeds was. Het geweld van de agenten werd door grote delen van wit Amerika als legitiem beoordeeld, terwijl dat van de zwarte actievoerders net streng veroordeeld werd. 

Welke lessen kunnen we trekken uit die lange geschiedenis van racisme en emancipatiestrijd? Eerst en vooral tonen deze episodes de diepe wortels van het racisme in de VS, net zoals het falen van de overheid om het probleem ten gronde aan te pakken. Zolang dat niet gebeurt, is het afwachten tot een nieuwe George Floyd of Rodney King zich aandient. Omdat de problematiek zo wijdverspreid is, lijkt het zeer waarschijnlijk dat het opnieuw tot rellen komt, mogelijk met nieuwe echo’s tot in België. Maar daarnaast toont de geschiedenis van de burgerrechtenbeweging in de jaren ’50 en ’60 van de twintigste eeuw dat grootschalige, hoofdzakelijk vredevolle manifestaties belangrijke maatschappelijke evoluties kunnen teweegbrengen. Zélfs als de publieke opinie verdeeld is en de overheid lang aarzelt. Hoewel de eerste acties van de Burgerrechtenbeweging al van 1955 dateren, deden president Eisenhower en Kennedy jarenlang weinig tot niets om de activisten tegemoet te komen. In 1963 communiceerde de regering-Kennedy nog dat die ‘manifestaties slecht waren voor het land’. Of ook nog ‘negroes are going to push this thing too far’. De protesten hielden echter aan en in 1964 en 1965 keurde de volgende president, Johnson, uiteindelijk belangrijke wetswijzigingen goed.

De Guldensporenslag: protest met een onverwachte uitkomst

We weten nog niet hoe de toekomst zal oordelen over de Black Lives Matter-betoging, maar het is ook afwachten tot welke concrete resultaten de bredere protestbeweging zal leiden. Terwijl in Amerika de betogingen zich in eerste instantie richtten tegen racisme bij de politie, kwamen de Belgische activisten op tegen racisme in bredere zin. Actievoerders klaagden heel uiteenlopende zaken aan, waaronder politiegeweld tegen zwarten, maar ook de standbeelden van Leopold II of racisme op de arbeids- en huurmarkt. Het is nog onduidelijk welke gevolgen die acties zullen hebben. Misschien een volgende episode in het debat over Zwarte Piet? Een nieuwe ‘beeldenstorm’? Of praktijktesten op de woonmarkt? Misschien zullen de betogingen zelfs gevolgen hebben waar we nu nog totaal niet aan denken. Protesten evolueren immers soms in heel andere richtingen dan verwacht. Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar een reeks protesten die plaatsvonden in onze contreien, zo rond het jaar 1300. U bent wellicht het meest vertrouwd met de meest spectaculaire episode van dat verhaal: de Guldensporenslag.

De Guldensporenslag wordt vaak verteld als een spectaculaire clash tussen twee kampen: de Vlaamsgezinde klauwaarts en de Fransgezinde lelieaarts. Dat klopt in essentie, al lagen er verschillende conflicten aan de basis van die allianties. Aan de ene kant was er het juridische geschil tussen de graaf van Vlaanderen en zijn leenheer Filips de Schone, de koning van Frankrijk. De graaf koos in 1294 uit economische redenen tijdens een Engels-Frans conflict de kant van de Engelsen. Daarop bezette de Franse koning Vlaanderen, omdat hij vond dat zijn leenman hem ontrouw was geweest. Maar tegelijk was er al enkele decennia in heel wat Europese steden – dus ook de Vlaamse – een hevige sociale strijd aan de gang. De rijke stedelijke elites (de patriciërs) hadden van oudsher het alleenrecht op het bestuur van de steden. De ambachtsgilden – zeg maar de stedelijke middenklasse – hadden zich de laatste decennia echter beter en beter georganiseerd en eisten politieke inspraak. Die sociale strijd had al tot verschillende petities, stakingen en zelfs opstanden geleid, maar omdat de Vlaamse graaf aanvankelijk de patriciërs bleef steunen, leidde dat tot niets. Toen de patriciërs zich na de Franse bezetting vastklonken aan de Franse koning, lonkte er echter een opportuniteit voor de ambachtslieden. De klauwaarts kwamen – compleet onverwacht – als overwinnaar uit de Guldensporenslag, waarna de Vlaamse graaf de ambachtsgilden dankte voor hun steun door hen politieke rechten toe te kennen. De overwinning van de ambachtsgilden had een enorme weerklank. Tijdens de daaropvolgende jaren eisten in heel West-Europa talloze ambachtsgilden gelijkaardige politieke rechten als hun Vlaamse collega’s, met een hele golf aan opstanden tot gevolg.

Deze episode toont hoe snel de inzet en verwezenlijkingen van conflicten van betekenis kunnen veranderen, afhankelijk van de deelnemende partijen. Toen de Vlaamse graaf zich in 1294 aan de Engelse koning vastklonk, kon niemand vermoeden dat dit uiteindelijk zou leiden tot de politieke emancipatie van de ambachtsgilden. Zeker als er meerdere belangen en conflicten door elkaar lopen, kan de uitkomst zeer verrassend zijn. Tot op zekere hoogte is dat ook het geval met de Black Lives Matter-beweging: hoewel de protesten in België over heel diverse thema’s gingen, wordt de meeste politieke aandacht momenteel besteed aan de dekolonisatie van de openbare ruimte en de invoering van praktijktesten om discriminatie op de huurmarkt tegen te gaan. Uiteraard zag niemand dat aankomen toen George Floyd in de VS het leven liet. Een andere les van de Guldensporenslag: een debat (in dit geval over de politieke rechten van ambachtsgilden) kan jarenlang muurvast zitten, maar door verschuivingen in de politieke coalities toch heel snel op losse schroeven komen te staan. Al jarenlang roepen vele maatschappelijke actoren op om praktijktesten in te voeren om racistische verhuurders te detecteren, maar zonder politiek gevolg. Enkele dagen na de betoging in Brussel kwam er echter opeens schot in de zaak: Vlaams minister van Samenleven Bart Somers probeerde de vlucht vooruit te nemen met een pleidooi voor praktijktesten. Dat ging echter tegen het regeerakkoord in, dus zijn coalitiepartners floten hem (voorlopig?) terug. In het debat rond de standbeelden van Leopold II, nog zo’n conflict dat al jaren voer is voor discussie, lijkt er echter wel verandering op til. In verschillende steden, waaronder Oostende en Brussel, gaven gemeenten aan dat ze participatieve trajecten zouden uittekenen om de standbeeldendiscussie met hun burgers te bespreken.

De Beeldenstorm en de Nederlandse Opstand: een draaiboek hoe overheden crisissen niƩt moeten aanpakken

Standbeelden van gecontesteerde figuren, daar zouden ook onze voorouders het een en ander over kunnen vertellen. In de zestiende eeuw kenden de Nederlanden  immers een ‘echte’ beeldenstorm. Die vond plaats in de zomer van 1566, binnen een context van religieus conflict dat veroorzaakt werd door het verspreidende protestantisme (what’s in a name). De aanhangers van de nieuwe religie wilden dat hun geloof erkend zou worden, maar dat was niet naar de zin van koning Filips II, koning van Spanje maar ook heerser over de Nederlanden. Een economische en politieke crisis zorgden nog voor extra olie op het vuur. Het is het verhaal van een smeulend protest dat jarenlang relatief vredevol verliep, maar door radicalisering en verkeerde keuzes van de overheid totaal escaleerde en uiteindelijk tot een uitkomst leidde die niemand initieel bedoeld had: de onafhankelijkheid van de noordelijke Nederlanden. Daarnaast toont deze episode ook hoe de spanning tussen een streng centraal bestuur en meer gematigde lokale autoriteiten tot problemen kan leiden. 

Sinds het begin van de zestiende eeuw was het protestantisme aan een gestage opmars begonnen in de Lage Landen. Filips II profileerde zich echter als de voorvechter van de katholieke zaak en bestreed het protestantisme met harde hand. Zijn houding maakte de situatie echter alleen maar erger. Terwijl de eerste acties van de protestanten nog vrij vredevol waren gebleven, brak er in 1566 een echte beeldenstorm los. Protestanten vernielden daarbij in vele steden de interieurs van katholieke kerken, aangezien ze zich stoorden aan de heiligenbeelden die volgens hen niet pasten binnen het Christelijk geloof. Als reactie daarop besloot Filips om tot nóg meer repressie over te gaan: hij stuurde de hertog van Alva om orde op zaken te stellen. Die probeerde via een nog verstrengde vervolging de protestanten aan te pakken en nam tegelijkertijd maatregelen om de Spaanse belastinginning te optimaliseren. Dat provoceerde de Protestanten en de al verarmde bevolking nog meer. Het resultaat was een spiraal van geweld, verschillende plaatselijke opstanden en uiteindelijk zelfs een enorm bloedige oorlog die de Nederlanden tot op het bot verdeelde. Zowel de protestanten, de katholieken, de plaatselijke besturen en de centrale overheid waren in een dynamiek terechtkomen die ze zelf niet voorspeld of gewenst hadden. 

Door zijn repressieve maatregelen schoot Filips zichzelf bovendien in de voet. Hij eiste dat zijn wetten tot op de letter werden nageleefd en interpreteerde elke toenadering naar de protestanten als een gebrek aan loyaliteit. Daardoor geraakten gematigde burgers, besturen en edelen, die Filips wel trouw wilden blijven maar tegelijk enig begrip hadden voor de protestanten, ook van hem gedistantieerd. Deze gematigden legitimeerden hun standpunt dan weer met het argument dat hun acties net een daad van trouw aan de koning waren, aangezien de vorst volgens hen door zijn adviseurs verkeerd was ingelicht over de situatie ter plekke. En ze hadden een punt: Filips verbleef permanent in Spanje en zijn adviseurs hadden nauwelijks ervaring met de lokale gebruiken om conflicten af te handelen. Bovendien wilde de koning graag zelf de touwtjes in handen blijven houden, waardoor nieuwe beslissingen vaak veel te laat kwamen en niet meer inspeelden op de situatie op het terrein. Lokale overheden werden zo verplicht te kiezen tussen maatregelen waarvan ze wisten dat ze zouden werken en de veel radicalere maatregelen die Filips van hen eiste. Zo verhinderde de spanning tussen het lokale en het centrale niveau een coherente reactie op het protest. Dat is meteen een interessante parallel met de situatie vandaag de dag: hoewel centrale regeringen de politieke reactie op protest willen bepalen, zijn het vaak lokale overheden die beter aanvoelen wat er speelt en hoe een situatie ontmijnd kan worden. Ook bij de Brusselse betoging speelde die spanning: de burgemeester claimde dat zijn gematigdere reactie gebaseerd was op een inschatting van de situatie ter plekke, terwijl de federale overheden vanuit hun overkoepelende visie een strenger optreden hadden verwacht.

Besluit

De Black Lives Matter-beweging is in België dan wel een relatief nieuw fenomeen, maar hun betoging is maar één nieuw hoofdstuk in een lange geschiedenis van antiracistische protesten. Zeker in de VS heeft de zwarte emancipatiebeweging verschillende gewelddadige episodes gekend, deels omdat de overheid lang doof bleef voor de klachten van de zwarte gemeenschap. Dat is meteen een belangrijke rode draad die terugkomt in de historische verhalen die we hier schetsten: maatschappelijk ongenoegen heeft een uitlaatklep nodig. Overheden die weigeren om oprecht te luisteren en een constructieve dialoog aan te knopen, ondervinden daar op de langere termijn heel vaak de weerslag van. Filips II was daarvan een duidelijk voorbeeld, maar in dezelfde adem kunnen we ook de communistische regimes en de Arabische Lente vernoemen. Als je het deksel te hard op de kokende pot blijft duwen, knalt het in je gezicht wanneer je een minuscule opening laat.

Was het vanuit historisch oogpunt dan terecht dat de betogers ondanks de Corona-epidemie de straat optrokken? Daar valt onmogelijk objectief over te oordelen. Vanuit het standpunt van de betogers valt er zeker iets te zeggen over hoe belangrijk het is om een politiek momentum te grijpen, Scheidels boek indachtig. De Vlaamse ambachtslieden wachtten ook niet met hun politieke eisen tot het conflict tussen de graaf en de Franse koning was opgelost, integendeel zelfs. Maar tegelijk valt er ook begrip op te brengen voor het standpunt dat het debat op een later tijdstip (en op een andere manier) zou kunnen gevoerd worden. Of de situatie dus zo hoogdringend was dat het protest ondanks het risico op een verdere Corona-verspreiding per se nu moest plaatsvinden, zal iedereen voor zichzelf moeten beoordelen. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat we hier later nog heel anders op zullen terugkijken. Als we nu bijvoorbeeld terugkijken naar de slavenopstanden in het Romeinse Rijk, zullen slechts weinigen argumenteren dat de slaven ‘pushed too far’, om de woorden van Kennedy te gebruiken. Maar in de Romeinse tijd vonden de meeste rechtschapen burgers dat slavernij net deel uitmaakte van de ‘natuurlijke orde’ en voor hen waren de opstanden dus volledig illegitiem. Voor de protesten voor de vrouwenbeweging, die tussen de negentiende en twintigste eeuw vaak vredevol maar soms ook gewelddadig waren, geldt hetzelfde. Veel burgers vonden toen dat vrouwen ingingen tegen de ‘natuurlijke’ scheiding tussen man en vrouw, maar wie zou nu nog de gelijke politieke rechten van mannen en vrouwen in twijfel durven trekken? Enkel de toekomst zal dus oordelen over het al dan niet rechtschapen karakter van de Black Lives Matter beweging, en dat zal niet noodzakelijk hetzelfde oordeel zijn als vandaag.

Ben Eersels was tot juli 2020 stafmedewerker bij De Wakkere Burger. Hij schreef ook een doctoraat over politieke participatie en protest in de late middeleeuwen. Bram De Ridder is postdoctoraal onderzoeker aan de KU Leuven. Hij onderzoekt hoe je geschiedenis kan gebruiken om antwoorden te vinden op maatschappelijke vraagstukken.

Dit artikel verscheen in het septembernummer van TerZake Magazine

Lees ook