Hoe komt het nu dat de Britten nog steeds geen consensus bereiken over de Brexit die zij willen? Sterk uiteenlopende partijpolitieke strategieën spelen natuurlijk een grote rol, zoals vele politicologen al betoogd hebben. Zelfs binnen de twee grote partijen is het politieke speelveld helemaal verdeeld over de toekomstige relatie tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk. 

Maar de kiemen voor de huidige chaos werden al veel vroeger gelegd. Je kan de besluiteloosheid in de Britse politiek immers ook terugvoeren naar het Brexit-referendum van 2016. Op zich was het een goed idee om burgers te betrekken bij het nemen van zo’n belangrijke beleidskeuze. Maar dan moet het wel op een goede manier gebeuren, en het Brexit-referendum brak zowat elke regel van een goed participatief project. De campagne, die ervoor had moeten zorgen dat de Britse inwoners geïnformeerd werden over de verschillende opties, verliep al desastreus. Hoewel de relatie tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie onnoemelijk complex is, ging de campagne vooral over symbolen, zoals migratie en de betalingen van het Verenigd Koninkrijk aan de EU. Politici van alle kanten hebben schromelijk gefaald om de burgers voldoende te informeren over de aard van de beslissing die zij moesten nemen.

Ongenuanceerde vraag

Maar bovenal was de vorm van het referendum erg problematisch. Ondanks de complexiteit van de kwestie kregen burgers maar twee opties: Leave of Remain. Maar hoe kan je nu zo’n veelzijdig vraagstuk oplossen met zo’n ongenuanceerde vraag? Die compleet verkeerde vraagstelling is deels het gevolg van de reden waarom het referendum werd georganiseerd. Toenmalig premier David Cameron was overtuigd dat hij genoeg toegevingen had verkregen en was eigenlijk enkel op zoek naar een draagvlak voor zijn eigen politieke agenda. In echte inhoudelijke input was hij niet geïnteresseerd. De gevolgen laten zich tot vandaag voelen: politici kunnen alleen maar gissen voor welke Brexit de Brexiteers stemden.

Veel beter was het geweest om zo’n belangrijke en polariserende kwestie uit te werken via deliberatieve democratie. De Ierse Citizens Assembly van 2016 is daarvoor een mooi voorbeeld. Na een grondige beraadslaging zorgde die vergadering voor een doorbraak in het eveneens sterk polariserende abortusdossier, waar politici zich al jaren op stuk beten. Nu is het echter naar alle waarschijnlijkheid te laat voor zo’n deliberatief traject: na het referendum van 2016 is het voor een panel van gelote burgers quasi onmogelijk om zichzelf als voldoende representatief voor te stellen om de stem van het Britse volk te vertegenwoordigen.

Tweede referendum?

Wat nu dan? Misschien geraakt het Parlement er uiteindelijk toch uit en wordt May’s Brexit-deal of een alternatief voorstel van het parlement alsnog goedgekeurd. Het is echter ten zeerste de vraag in hoeverre die deal een correcte weerspiegeling is van waar de Britten in 2016 voor gestemd hebben. Een tweede referendum is een andere mogelijkheid, maar als dat georganiseerd wordt, moeten de Britten wel écht de kans krijgen om hun stem te laten horen. Zij moeten dus tenminste voor verschillende alternatieve scenario’s kunnen stemmen en voldoende geïnformeerd worden over de mogelijke consequenties daarvan. Maar de belangrijkste les die de Brexit ons moet leren is de volgende: burgers kunnen enkel belangrijke politieke kwesties oplossen als het participatieve proces op een eerlijke manier wordt georganiseerd. Als burgerparticipatie enkel snel en oppervlakkig wordt vormgegeven als draagvlakcreatie of als lapmiddel voor een verdeelde samenleving, creëert het meer problemen dan het oplost. Dat heeft de Brexit nu wel voldoende aangetoond.

(Ben Eersels)

Lees ook