Uiteraard zijn een breed draagvlak en een diverse betrokkenheid belangrijke kwaliteitskenmerken voor goede participatie. Maar een perfecte publiekssamenstelling is moeilijk haalbaar. Een gebrek aan representativiteit is dus een gemakkelijk argument om geen rekening te houden met de resultaten van een participatieproces. Burgemeesters en schepenen hebben immers een electorale legitimiteit: zij zijn verkozen. Maar gaan zij in de praktijk vooral voor partij- of algemeen belang? Vertegenwoordigers van verenigingen beroepen zich op hun leden of achterban. Maar vragen zij die leden om hun mening? In dit rondetafelgesprek proberen we dieper in te gaan op het begrip rond representativiteit. Hoe gaan we daar in de praktijk best mee om? Welke interessante nieuwe invalshoeken kunnen de ‘klassieke kijk’ aanvullen? 

Legitimiteit

Wat is representativiteit voor jullie?
Alain Storme:
Als opbouwwerker ondersteun ik zwakkere groepen in de samenleving die onvoldoende of niet gehoord worden. Voor mij is een participatief proces representatief wanneer alle belangen aan bod komen. Vandaag is dit niet altijd het geval. Zo vind ik het treffend dat onze legitimiteit als vertegenwoordiger van kansengroepen regelmatig in twijfel wordt getrokken: Wie representeert Samenlevingsopbouw in feite? Vaak wordt het electorale argument – “Wij zijn verkozen politici" - gebruikt om de representativiteit in de vorm van vertegenwoordiging te ondermijnen.

Maarten Crivits: Proportionele representatie is voor veel mensen het belangrijkste element in een democratie: zij gebruiken strategische argumenten zoals “U hebt niet voldoende leden” of ‘Welke groep representeert jullie organisatie” om op een gebrek aan representativiteit te wijzen. Omgekeerd gebruiken politici het argument “Wij zijn verkozen” om zichzelf te legitimeren. Voor veel mensen zijn dat valabele argumenten die ze niet in vraag stellen. Maar in feite zijn dit vaak verdoken manieren om bepaalde inhouden uit het debat te houden. 

Storme: Dit kan ertoe leiden dat beleidsmakers zelf gaan beslissen hoe breed die horizon van representativiteit is. In Brussel zie ik hoe welbepaalde belangen belangrijker worden geacht dan andere en als dusdanig het democratisch proces beïnvloeden. Sommige externe groepen waaronder bijvoorbeeld vastgoed promotoren die de stad als een wingewest beschouwen, worden bevoordeeld. Terwijl de inwoners minder inspraak krijgen waar het de strategische beleidsoriëntaties betreft. 

We zagen in het verleden dat het Brussels Gewest vanuit haar internationale functies prioritair aandacht had voor stadsvernieuwing in een aantal strategisch goedgelegen wijken, en minder in wijken die het misschien meer nodig hebben. Nog een voorbeeld: het plan voor de internationale ontwikkeling van Brussel werd als een democratisch proces naar voor geschoven. Maar inzake advies werden hierin eerder de grote economische spelers betrokken dan het sociaal werk of het OCMW.

Crivits: Er bestaan verschillende representatieve claims die worden gebruikt door niet verkozenen en waarin telkens een specifieke relatie tussen de representant en de gerepresenteerde wordt verondersteld. In de politieke arena’s worden die allemaal gebruikt om legitimiteit te verwerven of om bepaalde mensen uit te sluiten. Vandaag is het nog maar weinig gebruikelijk, maar ik vind het alvast een interessante piste om representativiteit af te meten aan de aanwezigheid van verschillende discoursen in het participatieproces.  Komen alle inhouden en argumenten over het thema in kwestie wel aan bod? Ook de uitgangspunten, waarden of visies die vandaag nog maar amper aandacht krijgen?  In een politiek forum maak je dan geen onderscheid meer op basis van groepen, maar op basis van een discours: bijvoorbeeld agro-ecologie naast hypermoderne landbouw naast  industriële landbouw en naast productivistische landbouw waarbij telkens fundamenteel verschillende standpunten liggen over wat landbouw is en moet zijn. De afwezigheid van een zinvol beargumenteerd discours kan dan, net als het aantal leden of het electorale element, een geldige reden zijn om vast te stellen dat een bepaald forum de belangen van de maatschappij al dan niet vertegenwoordigt. 

Wim Van Roy: Dat is interessant idee. Burgerparticipatie kan zeker een kanaal zijn om een ‘nieuw’ verhaal op tafel te krijgen. Het Antwerpse Oosterweel-dossier is jarenlang door overheden en experts louter bekeken als een mobiliteitskwestie. De plaatselijke burgerinitiatieven hebben toch andere aandachtspunten toegevoegd aan het dossier. Luchtkwaliteit en gezondheid, om het opvallendste te citeren. 

Gemeenschappelijke deler

Hoe zorg je er voor dat bepaalde belangen niet worden voorgetrokken tijdens een participatiemoment? Hoe zoek je een gemeenschappelijke deler?
Van Roy:
Er kunnen verschillende blinde vlekken bestaan in participatieprocessen: thema’s die al dan niet bewust vergeten worden, groepen die geen inspraak krijgen,… Bij de heraanleg van een straat of plein worden meestal wel de omwonenden en de lokale handelaars gehoord. Maar wat met de gebruikers van die straat? Wat met fietsers, lijnbussen en automobilisten die de wijk doorkruisen? Of kinderen die er willen spelen? Een overheid moet toch alert zijn en inspanningen doen om al die verschillende perspectieven mee te nemen in de besluitvorming. “Wie zit er hier niet mee aan tafel?”, blijft een belangrijke vraag.

Storme: (knikt) Vaak hebben verschillende groepen in een wijk erg uiteenlopende wensen waarmee men rekening moet houden. Neem nu de Brusselse Hooikaai, achter de Koninklijke Vlaamse Schouwburg. Vlak bij dat plein wonen heel wat Marokkaanse gezinnen met kinderen in sociale woningen. Bij de heraanleg van de Hooikaai vroegen die vooral speelruimte. De latere instroom van betere middenklassers in de wijk wilde vooral een mooi plein met veel groen en water als decor voor de schouwburg. Samenlevingsopbouw speelde bij het participatieproces van de Hooikaai een onmogelijke dubbele rol: procesbegeleider én ondersteuner van de kwetsbare groepen. De middenklassers uit de wijk hebben zich toen rechtstreeks tot het beleid gericht. Ook de kwetsbare groepen voelden zich onvoldoende ondersteund. Het is aan de stad om een participatiebemiddelaar aan te stellen die erover waakt dat alle belangen vertegenwoordigd zijn. Samenlevingsopbouw kan dan zijn ondersteuningsrol zuiver spelen.

Crivits: Overheden zouden een ruimer proces moeten organiseren met alle betrokken belangen en groepen. Ik denk dat niet alleen minder mondige mensen een politieke vertaalslag nodig hebben, maar ook groepen die elkaar nog niet kennen of samenwerken rond nieuwe thema’s. Neem nu de opkomende stadslandbouw als voorbeeld. Een groot deel van het publiek dat daarrond werkt, kent elkaar niet. Momenteel zien we een breuk tussen de traditionele boeren die terug een afzetmarkt in de stad zoeken en de mensen die binnen de stad aan landbouw doen. Om aan beide groepen tegemoet te komen, brengen we die mensen elke maand op een forum met elkaar in contact. Want mensen die op een nieuwe manier naar landbouw kijken, horen er ook bij. En dat zorgt voor een interessante dynamiek. 

Storme: De kunst is een goede gemeenschappelijke deler te vinden om de groepen samen te brengen. Enkel zo versterk je je draagvlak.

Overheid en begeleider

Is het de taak van een overheid om te zoeken naar een gemeenschappelijke deler?
Storme:
Als je alles overlaat aan de spelers van de markt, dan zal een beslissing altijd uitdraaien in het voordeel van de mensen die beter af zijn: mensen met een groter netwerk, meer geld en dus ook meer macht. Het is daarom nodig om middelen te investeren om die machtsbalans te herstellen. Dat kan bijvoorbeeld door de ongelijkheid en kenniskloof kleiner te maken. Maar of dit een taak is voor de overheid of het middenveld, laat ik in het midden. 

Van Roy: Participatiebegeleiders moeten altijd onafhankelijk en neutraal zijn. Niet onlogisch, maar welke invulling geef je aan die begrippen? Behandel je iedereen netjes gelijk, maar behoud je dus onbewust het status quo – lees: ongelijke invloed. Of voorzie je extra aanmoediging, ondersteuning en informatie voor zwakkere groepen op zoek naar een nieuw evenwicht. Dat blijft in de praktijk een moeilijke kwestie. 

Crivits: Een begeleider moet zorgen dat elk relevant discours aanwezig is. Maar hoe bepaal je wat een relevant discours is? Je kan op voorhand samenzitten met een groep experten om zo opinies en literatuur rond dat specifieke thema te clusteren. Zo krijg je een goed zicht op de verschillende stellingen en meningen rond dat thema. Dat maakt je alert voor een discours dat eventueel afwezig is. Je vermijdt zo ook dat je onbewust mee gaat in het dominante discours rond een bepaald thema. 

Storme: Dat vereist wel veel zelfkennis zodat je niet vanuit een eigen denkkader begint te manipuleren. Als participatiebegeleider moet je dan ook op voorhand kunnen inschatten welke positie bepaalde experten innemen… Dat lijkt me moeilijk.

Van Roy: Er bestaan vaak gewoonweg praktische knelpunten om participatie goed te organiseren. Veel hangt bijvoorbeeld af van de tijd en energie die men wil investeren in een participatieproces. Vaak gebeurt een oproep om te participeren alleen via allerhande traditionele kanalen en gaat er weinig aandacht naar het persoonlijk aanspreken van interessante sleutel- of tussenpersonen. Je moet alert blijven voor afwezige groepen en actief en creatief rekruteren. Maar ik denk niet dat het haalbaar is om betrokkenheid te organiseren met een apothekersschaaltje in de hand. 

Crivits: (knikt) Methodieken hebben grenzen. Wel kan je bijvoorbeeld twee à drie begeleiders samen aanstellen, met verschillende perspectieven en checks & balances.

Van Roy: Ik vind het vooral belangrijk dat er een bewuste reflex bestaat om aandacht te hebben voor diversiteit en representativiteit. De Wakkere Burger begeleidde een tijd terug een inspraakvergadering met ouderen over het lokale welzijnsbeleid. Om ook eens een ander publiek aan te spreken dan de leden van de Seniorenraad, planden we deze bijeenkomst bewust in het plaatselijke Dienstencentrum. Ouderen die daar kwamen middageten, werden ‘meegelokt’ naar deze vergadering. En om ook iets te weten te komen over de vragen en noden van ouderen die maar weinig buiten kwamen, werden enkele thuisverpleegsters en kinesisten uitgenodigd.  Dat waren heel bewuste acties om verschillende invalshoeken te verkennen. Misschien was de representativiteit nog niet optimaal, maar dat mag ook geen reden zijn om een kruis te trekken over het hele participatieproces.

Storme: Je moet inderdaad een arsenaal hebben aan verschillende methodieken waarmee je mensen kan aanspreken op hun vaardigheden. Dat werkt drempelverlagend en zal de representativiteit verhogen. De hogeschool Odisee heeft een mooi project in de Brusselse Anneessenswijk. Met video en tekeningen kunnen buurtbewoners zich uitdrukken over hoe ze hun wijk zien en hoe de wijk zou moeten evolueren. En die methodiek werkt

Verantwoordelijkheid

Nederlands participatiebegeleider Joop Hofman zegt “Hoe meer een overheid ruimte laat aan burgers om beslissingen te nemen, hoe meer je als burger de verantwoordelijkheid hebt om inspraak te organiseren en mensen te betrekken. Als je dit niet doet, is er geen sprake van democratie.” Zijn jullie het daarmee eens?
Van Roy:
Het belang van representativiteit hangt voor De Wakkere Burger af van de context van het participatieproces. Het idee dat representativiteit belangrijker wordt naarmate de invloed van de ‘insprekers’ stijgt, is een relevant aandachtspunt. Op een bijeenkomst waar een overheid de bevolking informeert over haar nieuwe plannen, is de samenstelling van het publiek niet zo belangrijk. Wie interesse heeft, is welkom. Maar representativiteit en draagvlak worden natuurlijk wel belangrijk wanneer een overheid de beslissing bij wijze van spreken overlaat aan de inwoners. Stel dat je een wijk mee laat beslissen over bepaalde investeringsbudgetten, dan veronderstelt dat wel een brede én diverse betrokkenheid. En geen klein wijkcomitétje dat alles bedisselt achter gesloten deuren. Dat soort burgerparticipatie zou maar een laag democratisch gehalte hebben. 

Crivits: Ik vind dat burgers in elke situatie de verantwoordelijkheid hebben om transparant te werk te gaan.  Elke participant heeft een eigen belang en soms houden zij geen rekening met de transparantie en deliberatie die nodig is binnen een participatieve besluitvorming. Een voorbeeld: in de stad Gent loopt een participatief traject rond het gebruik van publieke gronden voor stadslandbouw. Wat stellen we vast? Bepaalde deelnemers omzeilen dat proces. Ze gebruiken hun connecties en gaan alleen met de bevoegde instanties onderhandelen om zo hun belangen door te drukken. Dat zou sowieso niet mogen. Ik vind het telkens zo frappant om te zien dat mensen zeggen: dat is nu eenmaal hoe het werkt, in plaats van het ondemocratisch gedrag an sich in vraag te stellen.

Van Roy: In feite zou de betrokken instanties dat voorstel voor die landbouwgrond eerst moeten terugkoppelen naar het overlegorgaan vooraleer hij een definitieve beslissing neemt. Zo weet hij onmiddellijk ook of het plan van de individuele organisatie wel voldoende draagvlak heeft. 

Storme: Ik denk niet dat alle zaken die fout lopen wijzen op belangenvermenging of slechte wil. Soms is het gewoon een gebrek aan kennis. Een democratische ingesteldheid, het organiseren van participatieprocessen en het leiden van vergaderingen zit niet bij iedereen ingebakken. Je moet dat verwerven. Schepenen of andere beleidsmakers zijn zich dan ook niet altijd bewust dat hun beslissingen haaks staan op een democratische besluitvorming. 

Crivits: Lokale besturen denken ook te weinig na over welke voorwaarden ze kunnen scheppen om goede burgerinitiatieven te ondersteunen en duurzaam te maken. Ze denken niet graag na over problemen en tegenstellingen. Wel claimen ze regelmatig deze processen als eigen verdienste in hun communicatie. Ze organiseren een wedstrijd, waar de winnaar iets mag doen dat tot de verbeelding spreekt. Vervolgens wordt dat gebruikt om te tonen dat de stad met participatie bezig is. Daarom denk ik dat we een stad moeten blijven aanspreken op de vele praktische voordelen van participatieve democratie.

DO'S and DONT'S

Welke tips zouden jullie willen geven aan gemeenten die representativiteit willen nastreven?
Storme:
De angst voor afwijkende meningen is vaak een reden waarom bepaalde groepen niet worden betrokken. Ook beleidsmensen hebben schrik van een chaotisch begin. Maar door vast te houden aan een bepaalde ‘vanzelfsprekende’ orde, polariseer je meer dan wanneer je uitgaat van tegenstellingen en nadenkt over hoe hiermee om te gaan. Betrek dus zoveel mogelijk groepen, in het begin hoeft het niet allemaal zo duidelijk te zijn. Ten tweede: luister vooral naar de mensen die je niet hoort. Het is niet omdat mensen zwijgen dat ze geen ideeën hebben over hoe het zou moeten gaan.

Crivits: Probeer betrokkenen je strategie mee te laten vormgeven en uitvoeren. En doe dit aan de hand van een duidelijk actieplan. Kijk naar de inhoud en maak een landschapstekening van alle actoren die met dit thema bezig zijn. Vraag vervolgens aan hen of zij nog mensen kennen die met het thema bezig zijn. Breng dan per strategische doelstelling alle mensen samen en probeer na te denken hoe je van een operationele doelstelling naar concrete acties kan komen. Op die manier sla je twee vliegen in één klap: je vergroot je draagvlak, want veel mensen staan achter je strategie. Maar ook: mensen zien dat ze deel uitmaken van een groter geheel, een strategie, en dat geeft hen zicht op waar hun actie toe zal leiden. 

Van Roy: Het idee van een landschapstekening of sociale kaart is erg interessant. Welke groepen zijn aanwezig in je buurt of gemeente? Via welke verenigingen, netwerken of personen kan je die groepen aanspreken? Welke thema’s houden hen bezig?  Zo kijken we met de juiste bril naar de lokale samenleving en vergeten we niemand. De samenleving evolueert soms snel.

Crivits: Zoek naar een gemeenschappelijke identiteit en praat niet oeverloos over definities. Bij ons was er een lange discussie over wat duurzame stadslandbouw nu precies is. “Alles binnen de dertig kilometer van Gent”. Stel dat een bio-boer uit Lokeren wil deelnemen. Dat kan dan niet, want Lokeren ligt net te ver. Definities mogen geen uitsluitingsmechanisme worden.

(Lisa Schouppe)

 

Dit interview verscheen in het maartnummer van TerZake Magazine.

Deel II: Geen algemeen belang zonder eigenbelang.

Deel III: Een inkijk in burgerinitiatieven en hun relatie tot het beleid.

Deel IV: Filosoferen over het belang van multi-stakeholdersoverleg.

Lees ook