Twee actiegroepen en een burgerbeweging. Naast een brok engagement beschikken deze burgerinitiatieven over één grote gemene deler: elk op hun manier trachten ze invloed uit te oefenen op het beleid. Maar hoe krijgen ze gehoor bij beleidsmakers en hoe vrijwaren ze tegelijk hun onafhankelijkheid? Vinden zij zelfstandig hun weg of zijn ze gebaat met externe info en ondersteuning? Rond deze vragen bracht Terzake drie ervaringsdeskundigen samen. Resultaat: een bundeling van getrokken lessen, scherpe inzichten en opbouwende voorstellen. 

Hefbomen

Welke strategieën kunnen burgerinitiatieven inzetten om beleidsinvloed te realiseren?
Tamboryn:
Dat hangt ervan af: Speelt de problematiek zich af op lokaal, gewestelijk of nationaal niveau? Gaat het om een grote of kleine kwestie? Wie zijn je tegenstrevers? Als je de juiste politici kent, kan je op lokaal niveau bijvoorbeeld eenzijdig en kortzichtig succes boeken. Maar evengoed kan je niet over de juiste connecties beschikken en zo in een lokale kwestie blijven trappelen. 

Zorg er ook voor dat je goed geïnformeerd bent en een duidelijk en legitiem standpunt inneemt. Echter, met een kwaliteitsvol en ethisch standpunt alleen kom je er niet. Om beleidsmakers mee te krijgen moet het ook gedragen zijn. Vergelijk het met bedrijven: om te verkopen hebben ze consumenten nodig, net zoals politici stemmen nodig hebben.     

Staes: (knikt) Een petitie met 2000 handtekeningen overtuigt meer door de kwantiteit dan de kwaliteit van het voorstel. Belangrijk is ook dat je vakmensen kan raadplegen. Kijk naar de twee Antwerpse actiegroepen Ademloos en StRaten-Generaal. Zij krijgen steun van mensen uit de publiciteitssector die perfect weten wat een slogan moet inhouden. Mede hierdoor zijn ze in staat om duizenden mensen te mobiliseren. 
Voor ons vormden juridische stappen een goede hefboom. Wij hebben daar als actiegroep succesvolle ervaringen mee, vooral met de Raad van State. Financieel zijn zo’n procedures soms riskant maar de meeste zaken hebben we wel gewonnen. 

Tamboryn: Ik heb andere ervaringen met de rechtbank. Hoe groter het belang, hoe minder de rechtspraak je volgens mij kan helpen. Journalistieke aandacht zal je hiermee zeker krijgen, maar op termijn kan een overheid altijd van gedacht veranderen en in beroep gaan. Met Daedalus hadden wij op een gegeven moment dertig rechtszaken lopen. Iedere keer als de procureur-generaal advies gaf in ons voordeel, mondde de uiteindelijke rechtspraak toch in het tegenovergestelde uit. 

Staes: Ook zonder juridische draagwijdte heeft je engagement een maatschappelijke waarde dat je niet zomaar kan negeren. 

Liesenborghs: OpgewekTienen probeert de veranderingskrachten in de stad zoveel mogelijk te mobiliseren rond bepaalde thema’s, los van de eigen groep. Wij zijn dus geen actiegroepering in de klassieke betekenis van het woord, maar toch herken ik eerder vernoemde hefbomen. Als je met veel betrokken actoren een beweging op gang brengt, moet een politicus of een stedelijk managementteam er op zijn minst naar luisteren en er eventueel zijn beleid rond aanpassen. Dat blijft zoeken. Want, zeker in een kleine stad, heb je elkaar ook nodig om verandering teweeg te brengen.

Valkuilen

Burgerinitiatieven krijgen soms een politieke kleur opgekleefd, iets wat constructief overleg met bestuurders bemoeilijkt. Hoe kijken jullie hiernaar?       
Tamboryn:
Ofwel stap je in de politiek ofwel niet. Dat is een keuze die je maakt. En als er in jouw actiegroep of burgerinitiatief iemand met een politieke kleur opstaat, dan moet je kanaliseren zodat je kwestie alle kleuren omarmt. Dat is één van de zware taken als comitévoorzitter. Zorg er bijvoorbeeld voor dat je verschillende competenties en politieke kleuren in je beweging hebt. En praat niet ideologisch, maar resultaatgericht. 

Staes: Dat ik politieke functies bekleedde, was bij ons niet echt een issue. Wij hielden ons louter met aantoonbare feiten bezig. Men wist wat onze overtuiging was, maar we hadden kwaliteitsvolle argumenten waar geen speld was tussen te krijgen. 

Tamboryn: Wat je vooral moet vermijden is dat één enkele politieke partij het standpunt van jouw groep overneemt. Dan hang je. Andere partijen luisteren dan niet meer naar jou. En toch mag je niet bang zijn om net diegenen te benaderen die een grote impact hebben op je kwestie.

Gaan er risico’s mee gepaard wanneer burgerinitiatieven focussen op constructieve samenwerking met een bestuur?                                 Tamboryn: Ik weet niet of je doel bereikt wordt door braaf met elkaar te babbelen. En je onafhankelijkheid moet je verdienen. Dat betekent dat je evidence based  aspecten naar voren moet brengen die niet politiek of ideologisch gekleurd zijn. Daar wringt het schoentje, zowel bij burgerinitiatieven als bij beleidsmakers. 

Liesenborghs: Hoe politiek onafhankelijk je als burgerinitiatief bent, hangt ook af van de ervaring van het lokaal bestuur. Voor heel wat steden en gemeenten is het niet altijd evident om te gaan met allerlei mogelijke bewegingen, actiegroepen, adviesraden,… Een goede politicus zou hen in principe goed moeten opvolgen, want uit hun inbreng kan hij zijn eigen mosterd halen. Dat neemt niet weg dat je als burgergroepering aan politiek kan doen, bijvoorbeeld door bepaalde thema’s bespreekbaar te maken, zonder hierbij gebonden te zijn aan een partij. Heel wat geëngageerde burgers denken ook niet meer vanuit een politieke kleur maar willen zich vanuit verschillende hoeken inzetten om van de stad of gemeente een meer sociale en duurzame plek te maken. Het komt er als burgerbeweging op aan om de krachten te bundelen en het veranderingsproces te versterken. 

Wederzijdse zoektocht

Hoe zien jullie de relatie tussen beleidsmakers en spontane burgerinitiatieven?      
Staes:
Ik zie daar een opvallende evolutie. Zoveel jaren geleden beschouwde men groencomités of stadsgroeperingen als een vervelend volkje. Inspraak was onbestaande. Het gaat vandaag misschien niet per se beter met het milieu, maar de ingesteldheid is wel verbeterd. Milieu wordt meer in de budgetten opgenomen en de publieke opinie is mee geëvolueerd. Ook zijn de milieudiensten vandaag de dag goed bemand. Wel gaan deze zaken gepaard met een verarming bij de milieubeweging zelf: mensen uit deze beweging bekleden nu zelf posten in die diensten. 

Liesenborghs: De opkomst van burgerinitiatieven vereist een overheid die hen ondersteuning kan bieden. Dat betekent afstand nemen van de eigen programmalogica en zichzelf op de achtergrond durven zetten. Dat is een omslag van 180° graden. De snelheid waarmee besturen die omslag maken, verschilt enorm. Zo voeren centrumsteden meer en meer een impulsbeleid: ze faciliteren wat er aan de onderkant leeft. In een kleinstedelijke context ligt dit soms anders. Het ontbreekt deze steden vaak aan een ervaren personeelskader. En als overheid kan je de aanwezige onderstromen in een samenleving versterken, maar je moet vooral niet willen overnemen. Faciliteren is een onderschatte kunst. Het klinkt mooi maar de praktijk leert dat het een zoektocht is. In mijn stad worden burgers nu meer betrokken bij het beleid, maar dat neemt niet weg dat de verhouding tot een samenwerking met bestaande burgergroeperingen een zoektocht blijft.

Tamboryn: Die zoektocht is er langs beide kanten denk ik. Als je gewoon bent om autoritair te beslissen vraagt dat inderdaad een hele aanpassing. Anderzijds, ik zou het als politicus ook beu worden om mensen met kritiek op mijn beleid over de vloer te krijgen. Als burgerinitiatief vind ik dat we eerst naar onszelf moeten kijken: je moet met een ethisch principe beginnen, informatie verzamelen, niet alleen roepen, evidence based standpunten innemen,... Noem het een kwaliteitslabel voor initiatieven van onderuit. 

Liesenborghs: Van zo’n labeling gaan mijn haren rechtstaan. Het is contradictorisch met wat burgerbewegingen kenmerkt. De manier waarop die burgerinitiatieven ontstaan, heeft niets te maken met kwaliteitsnormeringen en sturingen. 

Tamboryn: Ik ben zeker niet tegen het spontane van burgerinitiatieven. Maar eens bewegingen zich beginnen te structureren moet je toch weten of je met een serieuze groep of met een hoopje ongeregeld bezig bent. Zo’n label beschermt die eerste groep tegen een politicus die wegkomt met “ik heb gelijk, zonder feiten”. 
Liesenborghs: In die optiek kan ik je ten dele volgen. Al zie ik het eerder als een manier hoe je een werking kan uitbouwen. Ik blijf er bij dat we onszelf geen kwaliteitseisen moeten opleggen om tegemoet te komen aan bepaalde verwachtingen. Kwaliteit hangt voor mij samen met het draagvlak en de draagkracht die je bij de lokale gemeenschap creëert. Daar straalt automatisch een stuk kwaliteit en ‘recht op spreken’ van af.

 

Ondersteuningsmogelijkheden

Hoe kan een organisatie bottom-up burgerinitiatieven ondersteunen richting beleidsinvloed?    
Tamboryn:
Om ondersteuning te bieden is het allereerst belangrijk om zicht te krijgen op wat er leeft. Daarom, breng die burgerinitiatieven eens in kaart. Zorg ervoor dat je de bewegingen met elkaar verbindt. 

Liesenborghs: (knikt) Uitwisselingsmomenten lijken mij zeer interessant. Daarnaast vind ik inzetten op inspiratie en empowerment erg waardevol. In Rotterdam bijvoorbeeld heb je Pakhuis De Zwijger dat zijn blik verruimt rond deze thematieken. In Vlaanderen mis ik zo’n gelijkaardig overkoepelend initiatief. Ik stoor me soms ook aan het discours dat op Vlaams niveau gevoerd wordt. Het gaat vaak over praktijken uit de centrumsteden, terwijl de grootste zoektocht zich naar mijn gevoel in de kleinstedelijke context afspeelt. Er gebeurt nog veel onder de radar. Net deze praktijken hebben nood aan ervaringsuitwisseling en onderlinge versterking.

Staes: Je kan mensen ook begeleiden en hen vertellen hoe de pers werkt. Een krantencorrespondent die eveneens werkt in een gemeentehuis zal je anders moeten benaderen dan een redactielid van een regionale televisiezender.

De Wakkere Burger focust uitsluitend op de proceskant van beleidsbeïnvloeding, wij nemen geen instellingen in over de inhoud van een beleid. Kan een ‘inhoudsloze’ organisatie wel ondersteuning bieden aan inhoudsgedreven groepen?
Liesenborghs:
Ja, net omdat het proces het moeilijkst is. Die inhoud vind je overal, dat is een kwestie van de juiste mensen aan te spreken. Ik denk dat over het proces gewoon te weinig knowhow is bij burgers en beleidsmakers. Er zit volgens mij enorm veel expertise bij het sociaal-cultureel veld, het buurtwerk, samenlevingsopbouw,... Ik denk ook aan sommige Nederlandse steden die creatief omgaan met het ondersteuningsbeleid. Hier in Vlaanderen neemt men al gauw het woord facilitator in de mond, maar ik denk dat maar weinig steden weten wat dat eigenlijk inhoudt. Men neemt hier eerder een sturende rol op. 

De input van dit soort netwerken kan, naast burgergroepen, ook interessant zijn voor een overkoepelende organisatie zoals de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG). Deze organisatie kan hiermee de ogen van beleidsmakers en ambtenaren opentrekken. Je moet hen betrekken in de overgang van top-down naar bottom-up. Tegelijk denk ik ook dat we naar onszelf moeten durven kijken. Heel wat beleidsmakers en stadsdiensten gaan innoverend aan de slag. Laat ons durven over het muurtje te kijken en bestaande methodieken en aanpakken in vraag stellen. Anders zijn we alleen aan het preken voor eigen kerk. 

Deel I: Participatie en representativiteit.

Deel II: Geen algemeen belang zonder eigenbelang.

Deel IV: De moeilijke verhouding tussen bedrijfsleven en burgers in participatieprocessen.

Lees ook