Markt, burger en overheid

Een heel open vraag als opener. Vinden jullie het een goed idee om bedrijven samen met burgers aan één participatietafel te laten aanschuiven? Of net niet?
Bram Verschuere:
In principe is dat zeker een goed idee, maar veel hangt af van de aard van het project. De bouw van een winkelcentrum als Uplace is toch van een heel andere orde dan de aanleg van een stadsplein of een buurtspeeltuintje. Wanneer het over écht grote belangen gaat, vinden die grote bedrijven vanzelf wel de weg naar het beleid. Zij hebben geen nood aan een participatietraject. Wanneer het echt om de knikkers gaat, zullen deze bedrijven participatie misschien als windowdressing gebruiken, maar zullen ze vooral rekenen op hun eigen advocaten en lobbyisten om hun belangen te verdedigen.

Stef Steyaert: Ik pleit ook voor het betrekken van bedrijfsbelangen in participatieve processen. In de mate van het mogelijke, natuurlijk. Veel hangt af van de context van het project, de grootte van het bedrijf... Ik ervaar alleszins een positieve kentering: een aantal grote bedrijven begint toch meer en meer in te zien dat die traditionele beleidsbeïnvloeding via lobbywerk niet zo goed meer werkt. Misschien is tachtig procent van de bedrijven nog niet overtuigd van een meer participatieve aanpak, de twintig procent die wel al een stap verder staat, doet vaak heel boeiende dingen. 

Het Antwerpse initiatief Stadslab 2050, dat een experimenteer- en leeromgeving creëert voor het werken aan een duurzame stad, is daarvan een heel mooi voorbeeld. Bij verkennende gesprekken met bedrijven om mee een actieve rol op te nemen in een partnerschap rond Stadslab2050, viel het op dat verschillende bedrijven met oprechte interesse naar nieuwe manieren kijken om alle verschillende belangen in de stad met elkaar te verbinden.

Verschuere: Dergelijke initiatieven moeten zeker kansen krijgen. Denk ook maar aan het bedrijfsrestaurant dat een publieksrestaurant werd na inspraak van de buurt (zie het artikel over de Kievitwijk verder in dit dossier, tz). Maar bij heel wat grote projecten, zoals bijvoorbeeld het nieuwe stadion van Club Brugge of een groot winkelcentrum, wegen toch vooral het stadsbestuur en de projectontwikkelaars op de grote beslissingen. De inspraak van burgers blijft vaak beperkt tot eerder kleine details zoals fietspaden.

Steyaert: Ik denk dat de interessante cases zich vooral afspelen op het niveau tussen de kleine projecten, zoals een buurtspeeltuin, en de hele grote ontwikkelingsprojecten. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het nieuwe mobiliteitsplan in Leuven waarbij zowel overheid, burgers als bedrijven betrokken zijn.

Asymmetrie van macht

Zitten we toch niet onvermijdelijk in een context van 'machtige bedrijven versus zwakkere burgers'. Kunnen we alle stakeholders eigenlijk wel een evenwaardige plaats aanbieden aan de procestafel? 
Verschuere:
Ook dat verschilt van project tot project. De ontwikkeling van een nieuwe stationsomgeving rond Gent-Sint-Pieters is natuurlijk van een heel andere orde dan een kleiner project. Bij dit soort projecten zitten eerst en vooral verschillende overheden aan tafel: het stadsbestuur, de Vlaamse overheid en het overheidsbedrijf NMBS. Daarnaast zijn nog andere bedrijven en middenveldorganisaties betrokken. Wie nodigt dan uit tot overleg? De NMBS heeft al geen cultuur van participatie. 

Bovendien zal ook de moeilijkheidsgraad van het project zelf voor een groot stuk bepalen wie kán meepraten. Mee nadenken over een braakliggend terrein in je buurt is makkelijker dan mee denken over de volledige hertekening van de omgeving rond een belangrijk treinstation. In dat laatste geval beschikken projectontwikkelaars en professionals natuurlijk over meer skills en ruimere expertise dan de geïnteresseerde burger. 

Al slagen burgers er soms wel in om zich goed te organiseren. Denk maar aan StRaten-Generaal en Ringland. Die burgerinitiatieven slaagden er in om zich grondig in te werken in het Antwerpse Oosterweeldossier en ontwikkelden zich in feite tot semi-professionals. Zo dwongen zij wel een prominente plaats af als gesprekspartner in die beleidsprocessen.

Steyaert: (knikt instemmend) Net zoals hét project of dé overheid, bestaat ook dé burger niet. Zij zijn vaak georganiseerd in wijkcomités of belangenverenigingen. Burgers zijn dus niet altijd losse individuen, maar vaak een optelsom van verschillende individuen. Als we spreken over tussenruimte, moeten we dus ook naar dat (nieuwe) middenveld kijken

Voorwaarden

Welke voorwaarden zijn er nodig om de driehoeksverhouding markt-burger-overheid binnen een participatieproject eerlijk te houden? 
Verschuere
: Ik vind het vooral belangrijk dat overheden duidelijk het kader bewaken: wat is het algemeen belang? Dat kan van project tot project sterk verschillen. Bij grote infrastructuurprojecten spelen verschillende belangen. Je hebt economische, sociale én ecologische belangen: de creatie van jobs, winst... maar ook van overlast. En daar knelt vaak het schoentje. Als overheden alle  stakeholders vanuit al die belangen zou verzamelen en van begin van het project zou betrekken, zouden al heel wat van die problemen benoemd kunnen worden.

Steyaert: Ik heb wel een belangrijke opmerking. We blijven hier steeds praten over projecten die de overheid van bovenaf initieert. Terwijl we even goed kunnen kijken naar impulsen die van onderuit vertrekken bij burgerbewegingen of bedrijven. Ik denk aan de discussie over de verkorting van de werkweek tot dertig uren. Dat thema is van onderuit door de vrouwenbeweging Femma op de politieke agenda gezet. En binnen hun eigen organisatie zijn ze zelf gestart met dit experiment. Maar het klopt: je moet ook hierbij alle belangen betrekken bij het verhaal: naast de belangen van vrouwen en gezinnen, ook de belangen van de economie, de sociale zekerheid...

Verschuere: Dat is inderdaad de rode draad. Of een initiatief nu vertrekt vanuit de overheid, een bottom-up-beweging of een nieuwe economie, we moeten breed focussen en op voorhand goed nadenken: wie moet er allemaal mee aan tafel zitten, zodat we alle potentiële negatieve effecten kunnen vermijden?

Steyaert: Vanuit Levuur hebben we een zevenstappenmodel ontwikkeld over hoe je een goed participatief proces idealiter verloopt. Allereerst moet je je de vraag stellen waar je naartoe wilt en wat je wilt realiseren. Om vervolgens de analyse te maken welke belangen betrokken zijn. Van daaruit kijk je welke partners je uitnodigt en pas dan kan je beginnen. Hoewel dit nu ook bij projecten rond ruimtelijke ordening stilletjes aan begint door te dringen, gebeurt dit vandaag nog te weinig. 

Kennen jullie goede praktijkvoorbeelden van participatie waar bedrijven samen met burgers mee aan tafel zitten? 
Verschuere:
Meer dan bij de grote projecten zie ik vooral mogelijkheden bij projecten waarover een stad autonoom kan beslissen. Bij ingrepen in de publieke ruimte moeten alle stakeholders zich voor een stuk kunnen terugvinden in het eindresultaat. Bij de herinrichting van de Grote Markt in Kortrijk is men er mooi in geslaagd om overheid, handelaars en burgers samen te brengen. Het eindresultaat, een speeltuin in een grote zandbak, vormt een mooie synthese van alle aanwezige belangen. Shoppende ouders kunnen hun kinderen laten spelen, terwijl ze zelf op een terrasje zitten. En zo zijn onmiddellijk ook de lokale handels- en horecazaken tevreden.

Steyaert: LeuvenKlimaatNeutraal 2030 (LKN) heb ik altijd beschouwd als een mooi voorbeeld van wat professor Bestuurskunde Filip De Rynck bedoelt met tussenruimte. LKN is een vzw die alle belangen in een stad overkoepelt: stadsbestuur, universiteit, bedrijfswereld en middenveld zijn betrokken. Ook de burger kan lid worden. En hoewel je in de realiteit merkt dat het stadsbestuur nog steeds bewaakt dat het stedelijk beleid en de agenda van KLN2030 goed op elkaar afgestemd zijn (en dat belangrijke krijtlijnen nog steeds op het stadhuis worden getrokken), zorgt de structuur er wel voor dat de verschillende belanghebbende partijen steeds met elkaar in gesprek blijven.

Vindt u het problematisch wanneer grote krijtlijnen op het stadhuis worden getrokken? Bram Verschuere benadrukte daarnet nog het belang van een stad om een aantal krijtlijnen uit te tekenen waarbinnen ruimte wordt gemaakt voor participatieve invulling.
Steyaert:
Ik denk dat alles afhangt van de vorm. Het is gezond dat de overheid waakt over het algemeen belang, en LKN2030 is een verdienstelijke poging om die verschillende belangen met elkaar te verbinden voor een van de grootste uitdagingen waar elk bestuur voor staat. Wél bestaat er volgens mij geen ‘one fits all’ aanpak. Voor alles wat je doet, moet je op maat werken. 

In feite is ieder op zoek naar het cement voor dit soort coalities. Zo tracht Stadslab 2050 in Antwerpen het partnerschap collectiever te maken. In Leuven is dat cement dat de stad naar verhouding veel financiële middelen investeert. Dat het bedrijfsleven een plek is waar geld zit, zou de betrokkenheid van bedrijven in zo’n participatieproces extra betekenis kunnen geven: hun potentieel om te investeren. Hoewel je altijd voorzichtig moet zijn met geld, zou dit wat mij betreft ook een randvoorwaarde kunnen zijn. Als je partnerschappen wil vormgeven, dan moet het financiële plaatje duidelijk zijn: wie investeert hoeveel aan wat? We moeten niet altijd enkel van de overheid verlangen om een financiële inbreng te doen. Zij zorgen voor een publiek belang en zijn dus niet de enige partij die de vruchten plukken van dergelijke projecten.

(Wim Van Roy)

Dit interview verscheen in het decembernummer van TerZake Magazine.

Deel I: Participatie en representativiteit.

Deel II: Geen algemeen belang zonder eigen belang.

Deel III: Een inkijk in burgerinitiatieven en hun relatie tot het beleid.

Lees ook