Zweden heeft een honderdjarige traditie van openbaarheid. Het land heeft ook een documentenregistratiesysteem, waardoor er van alle overheidsdocumenten een spoor is. Het wordt dan moeilijk om documenten te laten verdwijnen. In de Verenigde Staten maken burgers  vaak gebruik van de openbaarheidsregelgeving. Amerikanen zijn trots op hun ‘Freedom of Information Act’. Ook Denemarken heeft al mooie stappen gezet op weg naar de openbaarheid. In Nederland zijn er jaarlijks om en bij duizend wob-verzoeken van journalisten. In België wordt de wob nog altijd maar door een handvol journalisten gebruikt, al lijken recent georganiseerde trainingen stilaan het tij te keren, met mooie resultaten, zoals de recente artikelenreeks in De Standaard op basis van de inspectieverslagen in de ziekenhuizen. 

Geen traditie van openbaarheid

Bijna tien jaar geleden, op 23 mei 2003, wilde ik bij wijze van experiment op het federale niveau de wet openbaarheid van bestuur uittesten. Ik vond het een goed idee alle briefwisseling en overheidsdocumenten op te vragen van de toenmalige minister van Financiën, de tabaksfabrikanten en/of de Rodin Stichting in het raam van door de tabaksindustrie gefinancierde rookpreventiecampagnes. Het was het allereerste wobverzoek door een journalist in Vlaanderen. Eigenlijk wilde ik met deze wobcase aantonen dat de beroepsprocedure op het federale niveau in ons land te zwak is. Met zo’n zwakke beroepsprocedure kan de openbaarheid op het federale niveau natuurlijk moeilijk goed functioneren. Die hypothese bleek te kloppen. Toen de minister volhardde in de boosheid en niet thuis gaf op de verzoeken om de briefwisseling openbaar te maken, wat overeenstemt met een impliciete weigering, evolueerde de case met behulp van de Vlaamse Vereniging van Journalisten (VVJ) en het Fonds Pascal Decroos naar het eerste wob-proces. In mei 2008 vernietigde de Raad van State de impliciete weigering van de minister. Na vijf jaar was de zaak terug naar af. Ik kon van begin af aan herbeginnen met een wobverzoek bij dezelfde minister.  

Openbaarheid is een grondrecht van elke burger om over de schouder van de overheid mee te kijken. Dit recht gedijt slechts optimaal in een sfeer van transparantie. Helaas bezit niet iedereen die openheid zodat in bepaalde middens stemmen opgaan om het recht terug te schroeven. En dat is niet alleen het geval in België.

Als het om openbaarmaking van bestuursdocumenten gaat, voelen sommige overheden zich nog vaak onwennig. Ze zijn niet altijd met openbaarheid vertrouwd. Soms liggen overheden dwars omdat ze liever informatie onder de mat willen schuiven. Hallucinant voorbeeld van een administratie die zich met hand en tand tegen de openbaarmaking van bepaalde bestuursdocumenten verzet is het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV). Het Voedselagentschap wringt zich in alle bochten om inspectieverslagen van de restaurants in ons land niet te hoeven vrijgeven. In tegenstelling tot de burgers in de Verenigde Staten, Denmarken en Groot-Brittannië mogen de Belgen niet weten hoe het zit met de hygiëne in het restaurant waar ze hun benen onder de tafel schuiven. Toch zijn wob-procedures geregeld ook succesvol. Journalisten doen er goed aan zich door dwars liggende overheden niet te laten afschrikken.

Meerwaarde

Via de openbaarheid kunnen journalisten heel wat informatie in handen krijgen. Die documenten leveren soms totaal nieuwe inzichten en verbanden op. Een mooi voorbeeld van de grote meerwaarde van de wob voor het journalistieke metier is het dossier van de begunstigden van Europese landbouwsubsidies (www.farmsubsidy.org). Dat is een internationale case die verband houdt met de situatie van de boeren in derdewereldlanden. Als Europese boeren landbouwproducten op de wereldmarkt gooien, hebben ze moeite om te concurreren met de prijzen die gehanteerd worden op de wereldmarkt. De prijzen in de Europese landbouw liggen in verhouding hoog. De Europese subsidies helpen de Europese boeren te concurreren op de wereldmarkt. Dit mechanisme dat ook op andere continenten gehanteerd wordt, heeft tot gevolg dat de producten van boeren in derdewereldlanden niet kunnen concurreren met de goedkopere import uit het westen.

De case van de landbouwsubsidies werd in de jaren ’90 door de Washington Post opgestart – maar weer stopgezet. In 2001 nam de Environmental Working Group de draad weer op. Wat bleek toen de data werden vrijgegeven? Landbouwsubsidies komen niet in handen van kleine boeren, maar van grote landbouwbedrijven, multinationals en zelfs ‘beroemdheden’ die beschikken over een bescheiden optrekje in Beverly Hills (www.ewg.org).

De data in de openbaar gemaakte databases hebben bijgedragen tot nieuwe inzichten. De Environmental Working Group wist de link hard te maken tussen landbouwsubsidies en het milieu. Rijkelijk met landbouwsubsidies gespijsde zones veroorzaken stroomafwaarts milieuproblemen. Zo zijn hele delen van de Golf van Mexico in de zomer dode natuur. De verstikkende algengroei is te wijten aan de tonnen pesticiden die met het geld van de landbouwsubsidies op de stroomopwaarts gelegen landbouwgronden werden gespoten.

Journalist-onderzoeker Nils Mulvad van de toenmalige Deense organisatie voor Computer Assisted Reporting Dicar nam in Europa de draad op. In 2004 begon hij in Denemarken te wobben om de Deense begunstigden van de Europese landbouwsubsidies in de openbaarheid te krijgen. Wat bleek? In Denemarken kwamen de Europese vetpotten hoofdzakelijk in handen van de Deense koninklijke familie, multinationals, gevangenissen en politici. Hetzelfde scenario herhaalde zich in het Verenigd Koninkrijk. Daar behoorden onder meer Prince Charles en Queen Elizabeth II tot de lijst der begunstigden, samen met tal van andere edellieden en multinationals. Vanaf het voorjaar van 2005 stimuleerde Nils Mulvad in heel Europa journalisten om wob-procedures te starten om de begunstigden van de Europese landbouwsubsidies in zoveel mogelijk landen openbaar te krijgen.

Op 1 juli 2005 stuurde ik mijn wob-verzoek naar de Vlaamse administratie Landbouw. Op 5 augustus kreeg ik een ‘njet’ op mijn wob-vraag, wegens de bescherming van de privacy en commerciële gegevens. Op 18 oktober besliste de beroepsinstantie om wel de gegevens over de rechtspersonen vrij te geven, maar niet die van de privépersonen, uit privacy overwegingen. Een Nederlandse rechtbank had nochtans in diezelfde periode brandhout gemaakt van een gelijkaardig standpunt van de Nederlandse overheid en besliste op 11 september 2005 alle begunstigden van de Europese landbouwsubsidies vrij te geven (zie www.evertvermeer.nl).  Dat is niet onlogisch. Het gaat tenslotte om belastinggeld.

Nadat de Vlaamse data gedeeltelijk waren vrijgegeven, volgden op impuls van toenmalig premier Verhofstadt ook de federale cijfers van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (www.birb.be). Zoals elders in de wereld kwamen ook in ons land de Europese vetpotten voor landbouw niet in handen van de kleine boeren, maar van banken, grote landbouwbedrijven en multinationals. In België publiceerde ik samen met twee collega’s het onderzoek naar de landbouwsubsidies in oktober 2005 in Knack (Wie melkt Europa, Marleen Teugels, Ingrid Van Daele en Hans van Scharen, Knack van 19 oktober 2005)

Meer transparantie bij besturen

Soms haasten overheden zich te beroepen op de ‘vertrouwelijkheid’ om documenten niet vrij te geven als die een minder gunstig licht werpen op het gevoerde beleid. Hoe journalisten via het gebruik van de openbaarheidsregelgeving besturen tot meer transparantie kunnen dwingen, illustreert de wob-procedure die  journalist Joris van der Aa (Het Laatste Nieuws) heeft aangespannen tegen de stad Antwerpen. Antwerpen had grote delen van de vroegere prostitutiezones ‘schoongeveegd’ en geconcentreerd in drie straten. De omgevingsanalyse van dit prostitutiebeleid dat Antwerpen via het Gezondheidshuis voor Antwerpse Prostitutie (GH@PRO) bij Marion van San had besteld, wijst naast enkele gunstige effecten ook op negatieve gevolgen. De Antwerpse rosse buurten zien er ‘schoner’ uit en zijn voor de bewoners leefbaarder. Maar volgens de analyse verschuift de prostitutie en gaat ondergronds, via gsm-nummers en escort girls die aan thuisontvangst doen. In het Antwerpse Stadspark zijn er ook meer en meer zeer jonge homoprostituees, vooral Roma’s.
 
Antwerpen weigerde aanvankelijk het onderzoeksrapport vrij te geven omdat de studie van Marion van San geen bestuursdocument zou zijn. Bovendien beriep de stad zich op de tweejarige geheimhoudingsclausule in het contract tussen GH@PRO en Marion van San. Joris Van der Aa diende tegen het niet vrij geven van het rapport klacht in bij de Vlaamse Beroepsinstantie Openbaarheid van Bestuur. Die verklaarde de klacht van Joris van der Aa ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. De stad Antwerpen moest het onderzoeksrapport van Marion van San (Erasmus Universiteit Rotterdam) over het gevoerde prostitutiebeleid gedeeltelijk openbaar maken. Om de geïnterviewde seksmedewerkers te beschermen, moesten de fictieve namen in het rapport en bijlagen van de Beroepsinstantie zwart worden gemaakt. 

De case van Joris van der Aa toont aan dat een journalist niet moet onderhandelen over de openbaarmaking. Doordat de journalist zelf voorstellen deed over hoe aan zijn verzoek kon worden voldaan, kreeg hij minder gegevens dan hij juridisch gezien had moeten krijgen. Er is immers juridisch geen enkele reden waarom de fictieve namen van de seksmedewerkers verwijderd moesten worden uit het rapport. Enkel die informatie die zou kunnen leiden tot de identificatie van de seksmedewerkers zoals land van herkomst, leeftijd en woonplaats had moeten worden onttrokken aan de openbaarmaking.

De uitspraak heeft zonder enige twijfel impact op de houding van het Antwerpse stadsbestuur inzake openbaarheid. Volgens van der Aa worden nieuwe wob-procedures door de stad sindsdien ernstiger genomen.

 

(Marleen Teugels)

Dit artikel verscheen in het juninummer van TerZake Magazine 2012.

Lees ook