Stel: in jouw stad of gemeente kondigen zich grote infrastructuurwerken aan met mogelijks ingrijpende gevolgen voor de plaatselijke leefkwaliteit. Dan is de kans groot dat het lokale bestuur de bewoners en/of stakeholders uitnodigt voor een informatiemoment. De kans bestaat ook dat deze betrokkenen worden uitgenodigd om hun mening te geven over deze ingreep – al dan niet voor het afwerken van de concrete plannen. Maar de kans is ook reëel dat een overheid kiest voor het comfort om in alle stilte beslissingen te nemen; dus zonder kritische vragen van ‘vervelende pottenkijkers’.

Drempels

Voor burgers die met vragen zitten of die constructief mee willen denken bestaat dan het inzagerecht. Zij kunnen documenten opvragen, zelfs wanneer de betrokken beleidsmakers dat misschien liever niet zouden zien. In principe kan iedereen binnen de 30 dagen (uitzonderlijk 45 dagen) de gevraagde documenten inzien, er een kopie van ontvangen of er uitleg bij krijgen. Daarbij rijzen onmiddellijk twee vragen.

Welke documenten heeft een openbaar bestuur in zijn bezit? Het beheer van informatie in België staat nog in zijn kinderschoenen. Overheden hebben geen echte inventaris van de stukken in hun bezit. Ambtenaren weten dus niet hoeveel documenten ze beheren. Ook voor de burger is het dus moeilijk om erg precies te omschrijven welke plannen of rapporten hij kan opvragen. 

In hoeverre is deze termijn niet te lang? Sommige kwesties evolueren snel en dienen op de voet gevolgd te worden. Soms staat in één document een verwijzing naar andere informatie. Die opvragen kost opnieuw tijd. Wie een bepaalde kwestie echt wil uitspitten, zal dikwijls meer dan één aanvraag moeten formuleren. Soms zelfs op verschillende beleidsniveaus. Tel daar nog de tijd voor een eventueel beroep bij, wanneer een verzoek onterecht geweigerd wordt.     

Bovendien blijken de openbaarheidsregels niet bij iedereen bekend te zijn. Een Vlaams evaluatierapport over openbaarheid concludeerde in 2010 terecht dat “de verschillende bestuursniveaus de burger meer en systematischer moeten informeren over zijn recht om bestuursdocumenten in te zien.” 

Kennelijk onredelijk

Besturen die beslotenheid verkiezen boven openheid, kunnen natuurlijk ook nog creatief aan de slag met de uitzonderingen uit de wetten en decreten inzake openbaarheid van bestuur. Niet dat het abnormaal is dat er weigeringsgronden zijn voorzien. Geen enkel burgerrecht is absoluut. Soms conflicteren ze zelfs: inzagerecht met het recht op privacy bijvoorbeeld. En zo bestaan er nog op zich begrijpbare uitzonderingen ter bescherming van de veiligheid en de openbare orde in het land, van auteursrechten,… Belangrijk is: hoe worden de uitzonderingen toegepast?

Zo kan aanvraag tot openbaarmaking ook ‘kennelijk onredelijk’ zijn, bijvoorbeeld omdat men onnoemelijk veel dossiers wil inkijken. Maar vanaf wanneer vraagt een burger overdreven veel documenten op? Of stelt hij te veel opeenvolgende vragen? Peter Verhaeghe, ook actief bij het Antwerpse burgercollectief StRaten-Generaal, maakte het mee in zijn thuisstad Diest. Hij speelde zijn recht op inzage kwijt.

Dat verhaal heeft trouwens een boeiende voorgeschiedenis. Samen met Manu Claeys, kwam Verhaeghe meermaals in de landelijke media met hun alternatieve voorstellen voor de felomstreden Antwerpse Oosterweelverbinding. Voor StRaten-Generaal betekende openbaarheid van bestuur een van de hefbomen voor meer inzicht en transparantie in dit politiek gevoelige mobiliteitsdossier. Ze vroegen plannen op, onderzochten ze, wezen op zwakke punten,… én legden deze voorziene ingrepen ook voor aan Vlaamse parlementsleden en lokale politici. Deze decision makers hadden deze plannen vaak zelf niet onder ogen gehad. Terwijl zij toch verantwoordelijk zijn. 

Het bestaan van openbaarheidsgaranties had trouwens nog een ander opvallend effect in dit dossier. Wanneer StRaten-Generaal een alternatief tracé op tafel legt, schiet de Vlaamse regering dat voorstel al snel af. Studies zouden aantonen dat het nieuwe tracé niet voldoet. De vraag om dit studiewerk te consulteren, maakte al even snel duidelijk dat er helemaal geen onderzoek was gebeurd. 

Openbaarheid van bestuur kan dus een echte hefboom zijn, maar evenzeer een bron van frustratie. Toen Verhaeghe in zijn eigen stad Diest werd aangesproken door enkele medebewoners over een betwist plaatselijk mobiliteitsplan, ging hij ook dat dossier onderzoeken. Zijn strategie is dezelfde: hij vraagt documenten op, stelt hiaten vast, spit verder, vraagt bijkomende informatie op,… tot het stadsbestuur het welles vindt. Verhaeghe zou onredelijk veel vragen stellen. Hij zou de gemeentediensten te veel extra werk bezorgen. Eindresultaat: zijn recht op inzage wordt geschorst. Met zin voor dramatiek zou je kunnen zeggen dat het stadsbestuur van Diest voor hem een stukje uit de Grondwet heeft weggegomd.  

Van passief naar actief

Het lijkt nochtans niet zo moeilijk om deze problemen uit de wereld te helpen. Meer actieve openbaarbaarheid, zouden wij zeggen. Waarom maakt de (lokale) overheid niet meer informatie spontaan toegankelijk? Zeker met de hulp van actuele ICT-mogelijkheden zou het toch een koud kunstje moeten zijn om heel wat beleidsinformatie systematisch te ontsluiten voor de burger. Denken we maar aan documenten bestemd voor gemeenteraad of adviesraden, afgewerkte rapporten en stukken uit planningsprocessen en dergelijke meer. 
Dat zou een mooie omwenteling betekenen! Nu nog de politiek wil vinden om die omslag te maken naar een open participatieve cultuur die gebruik maakt van de doe- en denkkracht van iedere burger.

 

Lees ook