Bestuurlijk kluwen

De (lokale) overheid is in de voorbije decennia flink geëvolueerd. De instroom van meer hooggeschoolde ‘vakambtenaren’ in gemeentediensten zorgde voor een sterke professionalisering. Tegelijk werden regelgeving, procedures en dossiers meer complex en juridisch. Planmatigheid en andere managementprincipes werden ingevoerd. Consultants en experts kregen een sterkere inbreng. “Leidt een dergelijke evolutie tot een kennis- en concurrentienadeel voor de burgers en andere actoren?”, was een terugkerende vraag bij de participanten. “Wordt het ‘professionele’ niet de norm, waarbij de ‘burger-vrijwilliger’ wordt afgeschilderd als onwetend, traag,…?”. “Staan allerlei starre regels en procedures de betrokkenheid van burgers niet in de weg?”

Ook wordt vastgesteld dat de schaalgrootte van de lokale besturen evolueert: de tendens tot schaalvergroting via intergemeentelijke samenwerking, ontwikkeling van stadregio’s,… tot – misschien wel – fusies van gemeenten en verdampen van provincies.  Al die bestuurslagen hebben hun eigen dynamiek naast en met elkaar. “Welke effecten heeft dat ondoorzichtige bestuurlijke kluwen voor de betrokkenheid van burgers bij beleid en samenleving?” Maar ook de financiële uitdagingen zijn vandaag nadrukkelijk aanwezig. De crisis zorgt voor besparingen, minder investeringen en beperktere dienstverlening. Overheden zullen taken overlaten aan de markt én aan de samenleving. “Wat betekent dat voor participatie? Gaat het over taken uitvoeren en minder over invloed op het beleid?”

Doe-democratie

Parallel met deze bestuurlijke veranderingen benadrukt iedereen dat het belang van spontaan burgerinitiatief toeneemt. Burgers geloven dat ze de samenleving beter van onderuit kunnen vormgeven dan via de formele participatie- en beleidsstructuren. Het ritme van het bestuur bepaalt niet langer de betrokkenheid van de bevolking. Actieve burgers nemen spontaan allerlei initiatieven. Zij bouwen zo mee aan de (lokale) samenleving en zetten daarvoor al hun ervaringsdeskundigheid, vaardigheden en kennis in. 

Het idee dat mensen zelf eigenaar zijn van een proces blijkt voor velen waardevoller dan een rol te spelen in een inspraakproject dat volledig door de overheid gereguleerd wordt. Vaak draaien deze burgerinitiatieven vandaag ook meer rond ‘zelf doen’ en ‘zelf zaken in beweging zetten’ dan louter rond ‘inspraak’.  Denken we maar aan mensen die in steden – hoe bescheiden soms ook – projecten en experimenten opzetten rond duurzame consumptie: samentuinders, voedselteams, deelwinkels en repaircafés. Denken we maar aan netwerken van burgers die hun eigen kennis inschakelen voor het uittekenen van alternatieve mobiliteitsplannen: StRaten-Generaal en Ringland.     

Sommigen zien al de ontwikkeling van een nieuw soort democratie: de doe-democratie. Op zich mooi, maar moeten we nu enthousiast in gejuich uitbarsten of toch enkele kritische kanttekeningen plaatsen. 

Evelien Tonkens, tot voor kort hoogleraar Actief Burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam, deed dat alvast binnen de Nederlandse discussie over de participatiesamenleving. Die nieuwe beleidslogica is volgens Tonkens helemaal gericht op het ‘meedoen’ terwijl politieke participatie of het ‘meepraten’  van de radar verdwijnt. Wel samen een stadstuin opstarten of zorg dragen voor zieke buren, maar geen betrokkenheid bij het beleid. De trend tot meer spontaan engagement wordt zelfs als politieke motivatie gebruikt. “Dat dwingen wij niet af, dat willen mensen zelf”, zei de Nederlandse premier Rutte zelfs. 

Goedgemutste machteloosheid

Tonkens stelt zich de vraag: “Maar is dit een alternatieve democratie? Het is in democratisch opzicht eerder goedgemutste machteloosheid. Zij beginnen die buurtmoestuin niet omdat zij hierin een nieuwe vorm van democratie ontwaren, maar omdat zij hun geloof in deelname aan de democratie verloren hebben. Ze zijn boos op het neoliberalisme, het mondiale kapitalisme, de graaicultuur bij de banken enzovoort en daarom beginnen ze een buurtmoestuin. Ze maken zich zorgen om grote maatschappelijke problemen, maar hebben geen vertrouwen in de tegenmacht van burgers die tot verantwoording en hervorming zou kunnen dwingen.” 

Of met enige zin voor overdrijving samengevat: zijn deze doe-democraten een symptoom van een democratisch deficit? Zijn zij het resultaat van een falend beleid dat volgens hen geen antwoord biedt op de cruciale keuzes? Tonkens beschrijft het als een shift van ‘verbaal protest’ naar ‘terugtrekken’: “Blijkbaar missen we aansprekende politieke instituties, die onvrede ook op grotere schaal productief kunnen maken. Zonder zulke instituties blijft de participatiesamenleving democratisch gemankeerd en kunnen politiek en beleid zonder veel tegenspraak vanuit de samenleving bepalen wat participatie moet inhouden”.

Doei-democratie

Ook tijdens onze gesprekstafels leefde een gelijkaardige – moeilijk vatbare – bezorgdheid. Trekken heel wat actieve burgers zich niet terug in kleinschalige projecten omdat ze weinig goeds verwachten van de bestaande beleidsstructuren: moeilijke procedures, weinig openheid, partijpolitieke belangen,… én te weinig bezig met de grote maatschappelijke en ecologische uitdagingen en meer met gevestigde belangen,… Toch blijven we optimistisch. Uiteindelijk kunnen deze burgerinitiatieven het hart vormen van een levende democratie. 

Maar dan rest uiteraard wel de uitdaging om dit veld van ‘doe-democraten’ ook te mobiliseren om een stem te hebben in kwesties die het kleinschalige in de onmiddellijke leefomgeving overstijgt. En de hoop dat maatschappelijke keuzes voor burgers over meer blijven gaan dan de simpele keuze “bibliotheek wordt gesloten” of “de bibliotheek zelf openhouden”. Of zoals men het in Nederland wel eens stelt: Anders wordt de doe-democratie als snel een doei-democratie. Geen inspraak, wel gedwongen vrijwillige inzet.

Grote verschillen

Een ander punt uit de gesprekstafels: (Beleids)participatie blijkt voor burgers een vaag begrip met verschillende betekenissen. Waarover gaat het, wat zijn de grenzen, waarom zou je er als burger in investeren? Hoe kan participatie vorm krijgen? Wat kan je zelf doen als burger en wat kan een overheid doen? Eenzelfde suggestie kwam in verschillende groepen terug: “We moeten zoeken naar manieren waarop burgers, politici, beleidsmakers, bedrijven, middenveld,… op een co-creatieve wijze de samenleving kunnen vormgeven. Op die manier gaat participatie verder dan inspraak en advies. Burgers geven mee de samenleving vorm, los van formele participatie-organen.”

En dan nog iets: wie wordt er bedoeld als men spreekt over ‘samen de samenleving vormgeven’? Het is bewezen dat kwetsbare groepen de weg niet altijd vinden naar plekken die de samenleving vormgeven. In een maatschappij waar dualisering en sociale ongelijkheid een realiteit is, is aandacht voor het betrekken van élke burger bij het beleid en bij andere kanalen zeer belangrijk. Het begrip ‘multiculturele samenleving’ is te beperkt geworden om de sociale en culturele diversiteit in onze samenleving te vatten. Vandaag leven we in een superdiverse samenleving. Binnen elke gemeenschap met een gelijke etnisch-culturele achtergrond manifesteren zich immers grote verschillen. Niet alleen religie in al haar varianten, taal (en dialecten), gender, leeftijd, politieke voorkeur, maar ook status, onderwijsniveau, werkervaring, woonplaats, enzovoort creëren verschillen tussen mensen. “Er is nood aan een brug tussen het middenveld en het terrein, tussen de burger en de overheid,… Breng mensen samen en breng dialoog op gang.” Ook deze suggesties kwamen talrijk naar voren.

De uitdaging zal er voor ons uit bestaan om al die actieve burgers – ook die doeners – te bekijken als een waardevol democratisch reservoir. Mensen die werk maken van wat volgens hen de wereld beter maakt. Waarom deze mensen niet samenbrengen om ervaringen uit te wisselen? Om ze samen een stem te geven bij het beleid? Zonder de initiatieven te kapen. Of waarom deze mensen niet verenigen met beleidsmakers die verder willen gaan dan inspraak, én ruimte willen geven aan burgers om de samenleving mee vorm te geven? 

Verbinden

Om via die verbindende weg na te denken over hoe we de ruimte voor informele participatie kunnen vergroten. Burgerinitiatieven zijn vaak zeer concreet en daardoor ook beperkt tot de lokale context. Er moet een manier zijn om initiatieven van onderuit beter te verbinden met het beleid. Welke ondersteuning is daar voor zowel burgers als beleidsmakers voor nodig? Ook hier deden de respondenten een voorstel. “Als een overheid burgers de ruimte wil geven om de samenleving mee vorm te geven, dan moet de rol van de overheid herzien worden. Een faciliterende rol veronderstelt een sterk geloof in wat burgers kunnen en geen wij-zij-denken. Stakeholders kunnen in die optiek zélf een beleidsvisie uitwerken en die omzetten in een beleidsplan, waarbij de overheid het proces faciliteert en de regie in handen houdt.” 

De complexiteit van de wereld van morgen maakt dat er geen eenduidige antwoorden zijn. Maar we moeten meer op zoek naar wegen en kanalen, naar laboratoria op het niveau van steden en gemeenten, waar je iets dergelijk kan ontginnen. Want het is de bundeling van krachten en de samenwerking die het verschil kan maken. Het kan een manier zijn om de overheid meer aansluiting te laten vinden bij de samenleving in plaats van andersom via de klassieke inspraaklogica.

 

(Wim Van Roy en Lisa Schouppe)

Dit artikel schreef De Wakkere Burger voor het tijdschrift Oikos.

Lees ook