Voor de meeste kiezers is het waarschijnlijk een eenvoudig verhaal. Ze vullen het stemvakje achter hun favoriete kandidaten. Alle stemmen worden geteld en op het einde van de verkiezingsdag – na duidelijkheid over de laatste zwevende zetels – raakt het finale resultaat bekend. Heel wat zetels voor partijen met veel stemmen, een beetje zetels voor partijen met weinig stemmen. “Logisch toch!”, vindt de gemiddelde Belgische kiezer. “Anders dan bij ons, maar very nice voor de kleine partijen”, zouden Britse waarnemers zeggen. Bij de Britse parlementsverkiezingen gaat per kiesdistrict de enige zetel immers naar de sterkste partij, terwijl in België per kiesdistrict meerdere zetels op een evenredige manier worden verdeeld.  

Geen neutrale regels

Zo bestaat er dan ook een grote variëteit aan kiessystemen. Niet alleen op vlak van de zetelverdeling, soms ook op de manier van stemmen. En dan hebben we het niet over stemmen met potlood of PC. In sommige landen kan je bijvoorbeeld maar één stem uitbrengen. Elders kan de kiezer meerdere voorkeurstemmen uitbrengen. Soms op verschillende kandidaten van één partij (zoals in België) of op verschillende kandidaten van verschillende partijen (zoals in Zwitserland). Zo heeft ieder land een bijna uniek systeem.

Deze verschillende spelregels hebben een duidelijk effect op het partijlandschap en op de manier van besturen. De keuze voor het ene of het andere kiessysteem is dus niet ‘neutraal’. Het bepaalt in belangrijke mate de vorm van de plaatselijke democratie. Daarom bestuderen politieke wetenschappers ook zo graag de verschillende kiessystemen en – vooral – hun politieke consequenties.

Eerst aan de streep

Een van de meest bepalende factoren is de manier waarop de zetels worden toegewezen. Daarvoor bestaan verschillende methoden. Het Verenigd Koninkrijk heeft – zoals gezegd – een heel eigen systeem. Het grondgebied wordt opgesplitst in even veel districten als er zetels te verdelen vallen voor het ‘House of Commons’. Elke partij heeft dan ook maar één kandidaat per district. De kandidaat met de meeste stemmen wint die ene zetel, zelfs al haalt hij of zij minder dan de helft van de stemmen. ‘First past the post’, heet dat systeem met relatieve meerderheden.

Het effect is duidelijk: alleen de grote partijen halen zetels én de kiezer weet dat. Die zal meer zijn verstand dan zijn hart laten spreken en vooral ‘strategisch’ stemmen voor partijen die een redelijke kans hebben om de plaatselijke kiesstrijd te winnen. Deze meerderheidssystemen neigen meestal naar een tweepartijensysteem. Al krijgen de rechtse Conservatieven en het linkse Labour al een tijdje stevige concurrentie van een derde uitdager, de ‘Liberal-Democrats’. Na de laatste verkiezingen zitten deze Lib-Dem’s  in een voor Engeland uitzonderlijke coalitie met de conservatieven.

Ook kleinere partijen die alleen in bepaalde streken sterk staan, zoals Schotse of Noord-Ierse nationalisten, kunnen in enkele kiesdistricten de race winnen. Zo raakten in 2010 toch 10 verschillende partijen vertegenwoordigd in het House of Commons. Voor het eerst heeft zelfs ‘Green’, de groenen, een zitje in het parlement. Maar andere kleine partijen hebben amper kansen; ook de eurosceptische ‘UK Independence Party’ niet. Bij de Europese verkiezingen van 2009 haalde deze partij met  16,3 percent van de stemmen 13 van de 72 Engelse zetels binnen. Europees president Herman Van Rompuy heeft dat ook geweten toen UKIP-leider Nigel Farage hem openlijk uitmaakte voor ‘natte dweil’. Europese verkiezingen verlopen ook in het Verenigde Koninkrijk via een evenredig stelsel. Europa verplicht dat. Bij de Engelse parlementsverkiezingen scoorde UKIP amper 3,1 percent. Meteen ook een illustratie van de strategische houding bij de kiezer om niet op een kansloze partij te stemmen.

Een kiessysteem zoals het Engelse dat de sterkste partijen zo disproportioneel bevoordeelt, zorgt natuurlijk wel voor grote duidelijkheid voor de kiezers. Het gaat in feite om een strijd tussen twee partijen met elk een eigen maatschappijvisie. Ook de uitslag is (bijna) altijd duidelijk. Meestal heeft één partij de meerderheid en kan ze dus een éénpartijregering vormen. Aanslepende onderhandelingen en ondoorzichtige achterkamertjespolitiek zijn dus niet nodig. De leider van de winnende partij kan bij wijze van spreken de dag na de verkiezingen al zijn intrek nemen in Downing Street 10, de ambtswoning van de ‘prime minister’. De keuze van de kiezers wordt dus transparant omgezet in een bestuursploeg. Daarom weerklinkt in landen met een meer evenredig kiesstelsel soms de roep naar een meerderheidsstelsel.

Toch zijn er niet alleen voordelen. Onderzoekers wijzen op enkele risico’s. Een aantal stemmen komen in het parlement amper aan bod, omdat kleinere partijen niet vertegenwoordigd zijn. Af en toe is de partij met de meeste stemmen in het land, niet de grootste fractie in het parlement. In 1951 haalde Winston Churchill een meerderheid van de zetels binnen. Met 48,0 percent scoorde zijn conservatieve partij echter minder dan de 48,8 percent van Labour. Een ongelukkige spreiding van ‘verloren stemmen’ over de kiesdistricten deed Labour de das om. Samengevat betekent de grote afwijking tussen stemmenuitslag en zetelverdeling op zich geen democratisch deficit.      

Aangezien partijen per district maar één kandidaat in de strijd kunnen gooien, mikken ze vooral  op kandidaten die zo acceptabel mogelijk zijn voor een zo breed mogelijk publiek. Resultaat: vrouwen en kandidaten met een migratieachtergrond komen minder aan de bak. 

Tweede ronde

In het Engelse ‘First past the post’-systeem kan een kwart of een derde van de stemmen in principe volstaan om de zetel van het district binnen te halen. Sommige waarnemers bezien dat niet als een volwaardig democratisch draagvlak. Frankrijk kent ook een meerderheidsysteem. Maar wel een die deze kritiek probeert te ondervangen. Om verkozen te raken heeft een kandidaat daar in de praktijk steeds meer dan de helft van de uitgebrachte stemmen nodig. Is het niet in één ronde dan moet het maar in twee. 

Dat tweerondensysteem geldt bij onze zuiderburen niet alleen bij de presidentsverkiezingen – dat is bekend -, maar ook het parlement wordt zo verkozen. Bij de strijd om het Elysée, gaan de twee sterkste presidentskandidaten door naar een tweede ronde. Tenminste wanneer niemand meer dan 50 percent van de stemmen haalde in ronde 1. In de tweede ronde haalt dan sowieso één van de kandidaten een draagvlak van meer dan de helft van de uitgebrachte stemmen. 

De parlementsverkiezingen verlopen via een gelijkaardige logica, maar net iets anders. Per district strijden de partijen om één zetel. Om de electorale strijd in één ronde te beslissen is een stemmenaantal nodig van meer dan 50 percent van de uitgebrachte stemmen en meer dan 25 percent van de ingeschreven kiezers. Dat laatste moet een gebrek aan draagvlak vermijden bij een te lage opkomst. Aan een tweede ronde mag iedere kandidaat deelnemen met meer dan 12,5 percent van de stemmen. In principe zou dus een tweede ronde met meer dan twee kandidaten mogelijk zijn. Dat gebeurt haast nooit omdat voor die tweede ronden afspraken worden gemaakt tussen partijen waarvan de visies dicht bij elkaar liggen. Meestal trekt een kandidaat zich terug ten voordele van een andere ‘politiek verwante’ kandidaat. In de praktijk eindigt de tweede ronde dus ook met een winnaar die ruim de helft van de stemmen haalt. 

In dit systeem kan de kiezer in de eerste ronde dus met zijn hart stemmen, in de tweede pas met zijn verstand. In de eerste ronde kan men zijn eigen overtuiging laten primeren bij de keuze tussen de  verschillende  partijprogramma’s. In de tweede ronde kan een beredeneerde keuze nodig zijn tussen de overblijvers. Zo stond de linkerzijde van het kiespubliek voor een moeilijke keuze bij de tweede ronde van de presidentsverkiezingen van 2002: kiezen voor de rechtse Jacques Chirac, kiezen voor de uiterst-rechtse Jean-Marie Le Pen of… thuisblijven en hopen op een goede afloop. 

Dit meerderheidssysteem met twee ronden blijft natuurlijk een weinig proportioneel eindresultaat opleveren. Het is met twee verkiezingsdagen ook behoorlijk duur en tijdrovend. Toch heeft dit systeem één groot voordeel. Het beantwoordt perfect aan één van de hoofdkenmerken van de democratie: de meerderheid beslist. Kandidaten hebben immers een meerderheid van de stemmen nodig. Kiezers worden ook uitgenodigd om twee keer na te denken over hun politieke voorkeur. Eén keer kiezen ze uit het gehele partijpolitieke aanbod, een tweede keer meer beredeneerd uit een beperkter aanbod.

Ook politieke partijen moeten tussen de eerste en tweede ronde goed nadenken: met wie gaan ze allianties aan, waar trekken ze hun kandidaten strategisch terug, welke kandidaten van andere partijen steunen ze,… Zo worden mogelijk coalities al gesmeed voor de twee verkiezingsdag. Dat is vaak positief voor een snelle regeringsvorming. Al blijken die haastige afspraken vaak brozer dan voorzien.

Voor de volledigheid: Australië en enkele exotische eilandstaatjes zoals Fiji, hanteren een heel eigen systeem dat de pluspunten van het Franse systeem koppelt aan verkiezingen in één ronde. De kiezer rangschikt de kandidaten van de verschillende partijen. In een eerste telronde kijkt men alleen naar de eerste voorkeuren. Haalt geen enkele kandidaat daarmee de helft van de stemmen, dan schrapt men de slechtst scorende kandidaat. Men kijkt dan naar de tweede keuze op de stembrieven voor deze verliezende kandidaat. Haalt niemand een meerderheid dan valt opnieuw de zwakste kandidaat af… enzovoort. Een even ingewikkeld als charmant systeem waarbij op het einde van de rit de verkozene wel een meerderheid achter zich heeft.  

Evenredige verdeling

Tot nader order hanteren we in ons land geen meerderheidssysteem, maar een evenredig systeem. We verdelen per kiesdistrict meerdere zetels. Partijen met een mooie score krijgen daarvan heel wat zetels, kleinere partijen krijgen er enkele. Punt is dat de stembusuitslag (het aantal stemmen) uiteindelijk vrij mooi weerspiegeld wordt in de samenstelling van het parlement (het aantal zetels). Alle politieke stromingen, ook de minder populaire, krijgen zo een stem in het parlement.

En soms kunnen die kleinere partijen even een beslissende invloed hebben. Bijvoorbeeld wanneer een kleinere partij met hun, weliswaar bescheiden, zetelaantal een bepaalde coalitie mogelijk kan maken. Zij zijn dan ‘nodig’ en kunnen enkele harde eisen op tafel leggen. De grotere coalitiepartners moeten dan kiezen. Akkoord gaan en besturen. Of elders op zoek gaan naar medestanders met alle risico’s van dien. Politicologen noemen dat het ‘blackmail potential’ van kleine partijtjes. Zo vroegen de groenen in de jaren ‘90 de invoering van een ecotaks op wegwerpflessen in ruil voor hun steun aan een staatshervorming.

Want dat is misschien de keerzijde van de medaille. In ons evenredige systeem heeft de kiezer soms het gevoel dat hij amper invloed heeft. Want de regeringsvorming gebeurt in onderhandelingen tussen de partijen. De grote winnaar van de verkiezingen kan even goed op de oppositiebanken belanden. In feite verdeelt de kiezer de kaarten waarmee de partijen na de verkiezingen poker spelen. De inzet van dat kaartspel is de echte politieke macht: regeringsdeelname. En dat spel kan – zo bewees men in   

2010 – erg lang duren. Evenredige verdeling leidt dus tot een rijk politiek spectrum in het parlement. Maar negatief uitgedrukt leidt deze politieke versplintering tot moeilijke regeringsvorming en politieke instabiliteit.

Volgens de Belgische grondwet moet de zetelverdeling het beginsel van de  ‘evenredige vertegenwoordiging’ respecteren.  Per partij moet het aantal stemmen dus zo goed mogelijk overeenkomen met  het aantal gekozenen. Daarvoor gebruikt men bij parlementsverkiezingen het systeem-d’Hondt. Dat verdelingssysteem vergt heel wat rekenwerk, maar levert een behoorlijk evenredig resultaat op. De grote partijen zijn met andere woorden maar licht in het voordeel.

Hoe werkt de zetelverdeler-d’Hondt? Het stemmentotaal van elke partij wordt achtereenvolgens gedeeld door 1, 2, 3, 4, …  Zo krijgen we voor elke partij een reeks quotiënten. Wanneer we de getallenreeksen van alle partijen naast elkaar leggen, kunnen we de zetels toewijzen (zie tabel). Simpel uitgelegd: het hoogste quotiënt uit alle ‘partij-reeksen’ levert de eerste zetel op voor één van de partijen. De tweede zetel gaat naar het tweede hoogste getal. En zo gaat dat verder tot alle beschikbare zetels in de kieskring zijn verdeeld. 

(Wim Van Roy)

Lees ook